Reviews S

Klaus Schulze - X (1978/2005)

Label: Inside Out Music
Bandsite: klausschulze
Duur: 79:45 / 79:43
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)

Ten tijde van verschijnen had ik twee albums van Klaus Schulze op zo’n karakteristieke Scotch-tape staan. Het monumentale ‘X’ was er één van. Op een of andere manier beklijfde het in die tijd onvoldoende en bleef verdere aanschaf van zijn omvangrijke catalogus achterwege. Ik mag dan ook wel spreken van een weldadige herontdekking van deze ‘anchorman’ van de elektronische muziek. Want dat is bij de in een prachtige hoes gestoken geremasterde versie van ‘X’ het geval. Allereerst beknopt wat achtergronden over deze Berlijnse artiest.
Schulze is na een kortstondig verblijf in Tangerine Dream en Ash Ra Tempel al snel als solo-artiest verder gegaan. Hij had genoeg van de oeverloze groepsdiscussies over nummers, ‘sequences’ en ‘credits’ en nam de touwtjes zelf in handen. En dat heeft hem geen windeieren gelegd. Een vaste maar ook uitdijende schare fans volgde hem in al die jaren en kocht zijn werken. Schulze is van oorsprong drummer en dat is goed te horen want zijn composities zijn zeer ritmisch. Hij stelt zelfs dat iedere zichzelf respecterende muzikant eerst drums zou moeten hebben gespeeld om het belang van ‘groove’ en ritme voor een goede compositie te kunnen vatten. Waar anderen zoals Tangerine Dream ritme voornamelijk digitaal laten bepalen, gebruikt Schulze ook echte drums en percussie. En dat geeft een extra dimensie c.q. levendigheid aan zijn muziek. Voorts is hij een meester in het neerleggen van warme melodieën, hetgeen niet iedere elektronicus is gegeven. Ten slotte moet zijn omvangrijke kennis van de traditionele klassieke muziek worden vermeld. Kennis die hij vaardig weet te verwerken, want wat mij betreft is iedere track op ‘X’ een klassieke symfonie op zichzelf. Ik zie Schulze dan ook veel meer als een moderne klassieke componist die, door het gebruik van niet-traditionele instrumenten, in de avant-garde hoek thuishoort waar groten als Terry Riley, Steve Reich en Philip Glass zich bewegen. En Schulze hoort ontegenzeggelijk in dat rijtje thuis.
Het voert te ver om de zes oorspronkelijke symfonieën en de bonustrack, die gemiddeld vijfentwintig minuten klokken, afzonderlijk te bespreken. Ik licht er een paar uit die op deze dubbeldisc symbolisch zijn voor de rest. Zoals het wervelende ‘Friedrich Nietzsche’. Wat een vernuftige opbouw naar de uiteindelijke climax, wat een power en een indrukwekkend samenspel tussen toetsenarsenaal en percussie. Ongekend sterk, zoals ‘George Trakl’ en ‘Frank Herbert’ dat ook zijn. Hierin vallen vooral de langzaam maar zeker doorgevoerde modificaties van het thema op. Herhaling is slechts schijn. Het orkest komt aan bod op disc twee - die nog klassieker klinkt dan disc één - in ‘Ludwig II Von Bayern’ en in de bonustrack ‘Objet D’Louis’. Eerstgenoemde is een fabelachtig creatieve compositie - let op de buitengewone inval van de drums na zo’n twintig minuten - waarin de synergie tussen een ‘ouderwets’ orkest en de ‘moderne’ Moogs leidt tot een surrealistisch geheel. Overigens geweldig geïllustreerd door hoesfoto’s waarin het clichématige beeld van een orkestformatie, plechtig en in stemmige kleding gezeten op een stoel, wordt doorbroken door de muur van Moogs en door de op de grond zittende Schulze die de vele toetsen bedient. ‘Heinrich von Kleist’ en de bonustrack, een alternatieve liveversie van ‘Ludwig’ met geluidstechnisch mindere kwaliteit, zetten de lijn voort. Schulze op zijn best.
’X’ vormt een ijkpunt in de catalogus van een groot componist. Ik ben ervan overtuigd dat in de toekomst de waarde van Schulze voor de moderne klassieke muziek, nog meer dan nu al het geval is, zal worden erkend. Er zal nog wat tijd overheen gaan, maar het heeft mij tenslotte ook bijna 30 jaar gekost om het op zijn ware merites te schatten. En dat alles natuurlijk met dank aan Mister Bob ‘Dr. Robert’ Moog. Reikhalzend kijk ik uit naar vervolgaankopen …. dat gaat weer een hoop geld kosten.
JoJo (12-2005)

Bezetting:
Klaus Schulze - all sort of Moogs, synthesizers, mellotron, tom toms, cymbals
Harold Grosskopf - drums
Wolfgang Tiepold - cello, conductor
B. Dragic - violinOrchester des Hessischen Rundfunks

Reviews S

Klaus Schulze - Moonlake (2005)

Label: Synthetic Symphony/SPV
Bandsite: www.klaus-schulze.com

Duur: 74:04
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Moonlake’ is Klaus Schulze’s nieuwste release. Ik ben de tel kwijt maar het zal, de serie ‘The Dark Side of the Moog’ inbegrepen, om en nabij zijn zestigste album zijn. Na een ingrijpende en langdurige ziekte is ‘the master’ weer ‘full swing’ terug.
Moonlake’ is opgedragen aan Robert Moog, die helaas in 2005 overleed maar voortleeft in het schitterende en tijdloze instrument dat hij ooit ontwierp en dat nog steeds door velen wordt gebruikt. Het werkstuk bevat vier tracks waarvan er twee - ‘Playmate in Paradise’ en ‘Artemis in Jubileo’ - live in de studio zijn opgenomen. Al weet ik niet goed wat ik mij daarbij moet voorstellen als alle instrumenten, met uitzondering van de viool, door Schulze zèlf worden bespeeld. De techniek draagt ver, maar zoveel instrumenten tegelijk beroeren lijkt mij zelfs voor Klaus erg moeilijk. ‘Same Thoughts Lion’ en ‘Mephisto’ zijn opnames gemaakt tijdens een liveconcert in Polen op 5 november 2003.
Schulze blijft zich vernieuwen, al zet hij dan maar kleine stappen. Hij maakt elektronische muziek waarin verleden en heden samenkomen, waarin traditie wordt gekoppeld aan visie. Een visie die hij ontleent aan ‘state-of-the-art’ technische mogelijkheden, aan hedendaagse muzikale invloeden en uiteraard aan zijn eigen ervaringen en emoties. Die ontwikkeling komt in het dertig minuten durende ‘Playmate in Paradise’ (Robert Moog?) vooral tot uitdrukking in de eerste acht minuten van de track die sterk ritmisch zijn. Nog meer ritme dan we al van hem gewend zijn (zie review op AFTERglow van ‘X’) en een lust voor het oor en het hart. Vervolgens zakt de track wat in, hetgeen de overgang markeert naar een sferisch intermezzo, om vervolgens aan het einde weer op te leven. De ritmes en klanktapijten zijn gelardeerd met etnische melodieën en stemmen die zo uit de zandstormen in de woestijn lijken op te doemen. Ik ben niet zo’n adept van ‘world music’ en van de idealistisch drang om (muzikale) culturen met elkaar te vermengen, als u tussen de regels door begrijpt wat ik bedoel. Hoewel het beeldend wel sterk is, duurt het etnisch getinte gejammer mij dan ook wat te lang en het hoge niveau waarmee het nummer aanving haalt Schulze niet meer. ‘Artemis in Jubileo’ is typisch Schulze en ontwikkelt zich via minieme maar zekere verschuivingen in ritmes en akkoorden tot een climax. En dat geldt ook voor de beide livetracks waarvan ik overigens nauwelijks kan vaststellen dat ze live zijn opgenomen. Van publiek of omgevingsgeluiden is in geen velden of wegen iets te bekennen. ‘Same Thoughts Lion’ gaat, zelfs na herhaalde beluistering, te ongemerkt voorbij. ‘Mephisto’ bevalt mij, door de krachtige drumbasis, heel goed. De geweldige moogsolo rond minuut tien zal Robert Moog in het hiernamaals een tevreden grijns opleveren: “Zo heb ik het ooit bedoeld Klaus”, zal hij daarbij mompelen.
Schulze heeft betere albums gemaakt. Bij zo’n productiviteit kan de boog echter niet altijd volledig gespannen staan. Ondanks de kanttekeningen kan ik echter geen genoeg krijgen van de man. Hij maakt nog altijd vele malen spannender elektronische muziek dan de door ‘sequences’ en ‘loops’ gedomineerde en eenvormige albums van het huidige Tangerine Dream.
JoJo (02-2006)

Bezetting:
Klaus Schulze – all keyboards
Thomas Kagermann – violin, voice

Discografie (kleine selectie):
Irrlicht (1972)
Cyborg (1973)
Picture Music (1973)
Blackdance (1974)
Timewind (1974)
Moondawn (1976)
Body Love (1977)
Mirage (1977)
Body Love II (1977)
X (78)
Blanche (1979)
Dune (1979)
Trancefer (1981)
Elektronik Impressionen (1982)
Audentity (1983)
En=Trance (1988)
Miditerranean Pads (1990)
Totentag (1994)
In Blue (1995)
Are you Sequenced? (1996)
Dosburg Online (1997)
Moonlake (2005)
Vanity of Sounds (2005)

Reviews S

Derek Sherinian - Blood of the Snake (2006)

Label: Inside Out Music
Bandsite: www.dereksherinian.com

Duur: 53:01
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

In aanvang vond ik ‘Blood of the Snake’ van Derek Sherinian een matig album. Compositorisch is het aan de magere kant en synths klinken als gitaren en gitaren als synths. En ook de ambitie om sneller te spelen dan de eigen schaduw draagt eraan bij dat eenvormigheid meer dan op de loer ligt. De hoes trekt eveneens geen volle zalen, en dan beschik ik nog maar over een promoversie, door zijn opeenstapeling van clichés (vette kleuren, bloed, naakte vrouwen, slangen) die een progmetalhoes een progmetalhoes doen zijn. De obligate en weinig creatieve titel van het album versterkt dit beeld nog eens.
Ondanks deze kritiek ontstond bij mij gaandeweg het voordeel van de twijfel. De tomeloze inzet en het technisch kunnen van de band en de poging om nieuwe paden (jazzrock) te bewandelen en te integreren met de progmetal ‘roots’, zijn daar de oorzaak van. Alsmede het gegeven dat het album per saldo hoger uitkomt dan de voorlopers ‘Mythology’ en ‘Black Utopia’, waar alle genoemde defecten zich exponentieel voordeden en ieder gaatje in instrumentatie en compositie volledig was dichtgeplamuurd. De opener productie van ‘Blood of the Snake’ en een paar relatieve rustpunten zoals het jazzy ‘On The Moon’ leveren derhalve ook punten op.
Sherinian beheerst zijn keyboards voortreffelijk, buit in marketing-technische zin zijn korte en verre verleden bij Dream Theater nog steeds uit en wordt door velen in het subcultuurtje waarin hij zich beweegt zeer gewaardeerd. Hetgeen blijkt uit de opstelling op dit album. Een aanvallend ingestelde formatie met vedetten als Billy Idol, Zakk Wylde, ex-Guns and Roses’ Slash, Yngwie Malmsteen, Simon Phillips en vroegere kompaan John Petrucci. Hij ligt goed in de groep die Sherinian. ‘Blood of the Snake’ opent met ‘Czar Of Steel’ dat een thema kent dat al zo’n duizend keer – nee, ik overdrijf; het zullen er een paar honderd zijn – in de prog is gebruikt. Toch is het een krachtige, instrumentale opener door de prima ‘groove’. Wat volgt is ‘Man With No Name’ met Ozzy-achtige zang van Wylde dat daardoor aan Black Sabbath schatplichtige hardrock oplevert. Aardig. ‘Phantom Shuffle’ zet ik neer als jazzy hardrock of harde jazzrock met op echte alt sax Brandon Fields. De andere te horen ‘woodwinds’ zijn volgens mij echter digitale ‘woodwinds’. De track kent een typische Miles Davis opbouw en sound. Daarmee slaat Sherinian voorzichtig een voor hem nieuwe weg in en dat bevalt mij wel.
Met deze drie tracks aan het begin van het album is de rest feitelijk ook gekarakteriseerd: een combi van instrumentale en drukke progmetal, ouderwetse hardrock en stevige jazzrock. En zowaar ging dit vijfde album van Sherinian in de loop der luisterbeurten langzamerhand van matig naar goed en zelfs naar uitstekend. Alleen toen kwam ‘In The Summertime’ van Mungo Jerry. Een dieptepunt met puntenaftrek. Wat bezielt je om zo’n doodgedraaid en bij aanvang dertig jaar terug al melig middle-of-the-road popliedje op een progmetal album te zetten? Het zal een gebrek aan kritisch vermogen zijn geweest.
Sherinian heeft met ‘Blood of the Snake’ per saldo een goed album afgeleverd waarbij vooral het lonken naar de jazzrock mij bevalt. Als hij dat in toekomst blijft combineren met een transparanter productie, meer aandacht aan compositorische diepgang geeft en lachwekkende covers achterwege laat, dan gaat het weer goedkomen tussen Derek en mij.
JoJo (07-2006)

Bezetting:
Derek Sherinian - keyboards
Simon Phillips - drums
Brian Tichy - drums
Tony Franklin - bass
Brandon fields - alto sax
John Petrucci - guitars
Yngwie Malmsteen - guitars
Jerry Goodman - violin
Slash - vocals
Zakk Wylde - guitar, vocals
Billy Idol - vocals

Discografie:
Planet X (1999)
Inertia (2001)
Black Utopia (2003)
Mythology (2004)
Blood of the Snake (2006)

Reviews S

Sir Millard Mulch -
How to Sell the Whole
F#@!ing Universe to Everybody …
for Once and for All (2005)

Label: Mimicry Records
Bandsite:
sirmillardmulch.com
Duur: 240 min
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Ik geloof dat God niet bestaat. Sinds kort geloof ik echter wel dat reïncarnatie bestaat want Frank Zappa blijkt terug te zijn op aarde. Hij is vermomd als Sir Millard Mulch en heeft tijdens zijn onbekende verblijf sinds zijn verscheiden in 1993 wat psychische deficiënties opgelopen. Met behoud van zijn muzikale energie, genialiteit, humor en engagement maar volkomen gek geworden dus. Hoogste tijd om zich onder een andere naam weer te mengen onder al die andere gekken in het ondermaanse. En dat het een geïncarneerde Zappa is blijkt ook uit het gegeven dat het hier gaat om vierenzestig songs op drie CD’s oftewel “four hours monstrosity”. Frank deed het doorgaans niet voor minder. Het album is “the ultimate guide to social metaphysics for salesmen, artists, magicians and all other types of manipulative fakes & liars”. Ik kon het werkstuk dus zonder scrupules kopen. Het langslopen van de tracks is onzinnig gezien het aantal. Daarom probeer ik via uitspraken van Mulch, achtergronden en associaties u een indruk te geven van wat kan worden verwacht.
“Psychiatrisch” patiënt Sir Millard Mulch (pseudoniem voor Paul K. Mavanu) is de eigenaar van een ‘comic book shop’ in Santa Cruz, filosoof en een begenadigd multi-instrumentalist, componist en producer. Hij heeft zich weten te omringen met “famous important people like me” zoals o.a. Virgil Donati (“I can’t believe I was tricked into playing on that stupid Sir Millard Mulch Album”), Devin Townsend, Nick D’Virgilio, Dave Meros, Morgan Ǻgren en Lale Larson. Na het maken van het bizarre album waren zijn collega’s en hij “delighted as frogs with new ice skates”. Hij zoekt zijn muzikanten per project uit want zijn devies is “no band, no band problems”. De muziek is doordrenkt met de complexiteit en het compositorisch vernuft van Zappa, kent invloeden van Mulch’s andere voorbeelden Faith No More en Mr. Bungle en heeft de gecontroleerde en hersenspoelende gekte van Devin Townsend. Het geheel is overgoten met de visie van Mulch op muziek namelijk het benaderen van de perfectie van een computer en het bereiken van de ultieme creativiteit. Dat eerste kan ten koste gaan van het gevoel maar wordt gecompenseerd door het tweede. Mijn gevoel raakt het wel, al kan ik mij voorstellen dat er mensen zijn die volledig afhaken op deze vermoeiende en ‘weirde’ muziek. Hij past soms ook schaamteloos ‘midi sequences’ en door de computer gemaakte fragmenten toe, omdat ze niet door een mens gespeeld zouden kunnen worden.
Mulch is ‘last but not least’ een provocateur zoals Zappa dat ook kon zijn. Op zijn geweldige site die veel leesplezier oplevert staat bijvoorbeeld een doorklik naar een soft-pornosite en een reclamebanner voor Volkswagen met de wervende tekst “Invented bij Hitler in 1932. Stil #1 with the leftist folk”. En wat dacht u hiervan: “guitars are designed in such a way that they can be played by a neanderthal who only knows one chord. This is why punk rockers don't play cello. Whoever invented the cello was smart enough to not include frets, thus making them off limits to these idiots. I respect that immensely”. Ha ha, ik hou hier wel van. Bovendien kun je lid worden van ’s mans ‘Cult’ maar dan moet je aan zeer strenge eisen voldoen zoals “I am charismatic, determined, domineering” en je moet je overgeven aan “totalitarian control of the behavior of the cult members”.
Bent u fan van Zappa? Liefhebber van teksten die vaak ergens over gaan en die soms nergens over gaan maar vol met splijtende humor en provocaties zitten? En geïnteresseerd in muzikale hoogstandjes en grensverlegging? Kopen die handel voordat George Bush het verbiedt.
JoJo (10-2005)

Bezetting:
Sir Millard Mulch – keyboards, guitars, bass, vocals, programming
met o.a.
Virgil Donati – drums, percussion
Nick D’Virgilio – drums, percussion
Dave Meros – bass, guitars
Morgan Agren – drums, percussion
Lale Larson - keyboards

Discografie:
Nice, Nice … Very Nice (1995, cassette)
50 Intellectually Stimulating Themes From A Cheap Amusement Park For Robots & Aliens, Vol. 1(1998)
To Hell With All of You, I Just Wanna Grow My Vegetables (1999)
The De-evolution of Yasmine Bleeth (2001, EP)
How to Sell the Whole F#@!ing Universe to Everybody … for Once and for All (2005)

Reviews S

Soft Works - Abracadabra (2003)

Label: ToneCenter/Moonjune
Bandsite: -
Duur: 60:17
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)

Soft Works is een project en een hernieuwde samenwerking van Elton Dean, Allan Holdsworth, Hugh Hopper en John Marshall. Grote namen uit de Soft Machine-historie. Na lang wikken en wegen en het omzeilen van allerlei agendatechnische problemen, lukte het na twintig jaar om begin 2002 de koppen weer bij elkaar te steken. Voorafgegaan door een aantal repetities kwam men op 6 en 7 juni 2002 bijeen in de Eastcote Studios in Londen.
Het indrukwekkende resultaat is Abradacabra. Indrukwekkend omdat de schijf prima composities bevat in het jazz-rocksegment, een heldere productie kent en de heren technisch uitermate hoogstaand musiceren. Maar wat wil je met een curriculum musica van per persoon gemiddeld 35 jaar. Elton Dean speelt op alt sax de sterren van de hemel. Kenmerkte zijn spel zich in zijn Soft Machine-tijd en in aanverwante projecten tot gefreak op hoog niveau en bewuste 'piepers', op Abracadabra maakt hij prachtige, afgeronde tonen die soms de compositie bepalen en op andere momenten ondersteunend zijn. Holdsworth ken ik niet anders dan iemand die altijd kwaliteit levert. Zo ook hier met het voor hem zo karakteristieke gitaarspel dat hij gedoseerd en op de juiste momenten weet in te zetten.
Voorts beroert hij de SynthAxe. Dit curieuze instrument werd in de jaren 80 ontwikkeld. Het houdt het midden tussen een gitaar en een synthesizer. Of beter gezegd, het is een gitaar waarop extra snaren zijn bevestigd die een stand alone synthesizer aansturen. Het stelt de gitarist in staat om synths te spelen, zonder de specifieke expertise daarvoor in huis te hebben. Het integreert die vaardigheid namelijk in het gitaarspel. En daar is Holdsworth niet in te evenaren. Vandaar dat zijn spel op de SynthAxe ook goed klinkt, prachtige klanktapijten oplevert en iets extra's geeft aan Abracadabra. Tenslotte klonk mijns inziens de ritmetandem Hopper/Marshall nog nooit zo gedegen en op elkaar ingespeeld. Dit duo lijkt elkaar van nature aan te voelen waardoor het muzikale casco staat als een huis.
De muziek laat zich het best vergelijken met de jazz-rock van Soft Machine ten tijde van Bundles.
Hoewel compositorisch de nadruk op Abracadabra wat meer ligt op de jazz. Uitschieter is o.a. het tien minuten durende openingsnummer "Seven Formerly", dat dreigend begint en waar al snel de perfecte synergie tussen de muzikanten en hun instrumenten opvalt. Een track die direct door een nieuw hoogtepunt wordt gevolgd, te weten "First Trane". Dit lijkt me een nummer dat in de jazzscene een klassieker zou kunnen worden, met name door de jazztypische opbouw en het door de bas van Hopper bepaalde thema. De overige zes nummers zijn korter maar bieden dezelfde hoge kwaliteit. Een minpunt vormt de vierde track "K Licks". Dit nummer komt maar niet op gang en het lijkt wel alsof men vanaf de eerste seconde probeert de eindbreak te vinden. Maar uiteindelijk valt dit mindere nummer nauwelijks meer op in de weldadige zee van Abracadabra. Een kritiekpunt van een andere orde is de hoes van de Europese persing. Dat is een slecht gelukte collage van symbolen en plaatjes, terwijl de Japanse release – zoals u hierboven kunt zien - met een prachtige hoes getooid is.
Resumerend. Soft Works wordt geafficheerd als een project en projecten hebben een begin-en een einddatum en zijn relatief kortdurend. Ik hoop dat dat niet opgaat voor Soft Works en dat Dean, Hopper, Holdsworth en Marshall binnen afzienbare tijd met hun volgende release komen.
JoJo (1-2004)


Bezetting:
Elton Dean - alto sax, saxello, Fender Rhodes electric piano
Allan Holdsworth - electric guitar, SynthAxe
Hugh Hopper - electric bass
John Marshall - drums

Discografie:
Abracadabra (2003)

Reviews S

Solution - Cordon Bleu (1975)


Label: CBS
Bandsite: solutionmusic.nl
Duur: 42:44
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)


Nederlandse platenmaatschappijen zijn niet erg zuinig op het progressieve erfgoed dat met name in de jaren 70 en 80 werd gemaakt. Legendarische bands als Alquin, Earth & Fire, Supersister en Solution moeten het op een enkele uitzondering na nog steeds doen met eerste generatie CD’s, vaak met twee albums op één schijf en hoesjes met minimale informatie waarin zelfs nog staat uitgelegd wat een compact disc eigenlijk is. Een schande, zeker als je bedenkt dat in de naburige buitenlanden kwalitatief mindere bands reeds ruim bedeeld zijn met remasters en ‘repackaged booklets’. Sprekend over Solution zouden remasters nog niet eens noodzakelijk zijn. Het geluid is doorgaans zeer helder en direct opgenomen. Maar een uitgave die recht doet aan de belangrijke plaats die deze band innam in het progressieve circuit zou meer dan terecht zijn.
Solution zag ik tweemaal live optreden. Het zal rond 1980 geweest zijn o.a. in het al even legendarische cultureel centrum ‘De Toverbal’ in Maassluis. Men had weliswaar een wat statische podiumpresentatie maar het vakmanschap en spelplezier droop er bij ieder bandlid vanaf. Zoals dat op alle albums en niet in de laatste plaats ook op ‘Cordon Blue’ te horen valt. De Groningers hadden een geheel eigen geluid, dat ik uit duizenden zou herkennen en dat een mengeling vormt van symfonische arrangementen en jazz-rock elementen. En dan niet de jazz-rock waarbij ‘hoor eens hoe snel ik op mijn toetsen of gitaar kan spelen’ tot kunst is verheven, maar de jazz-rock waarin melodie en harmonie voorop staan.
Zo ook op ‘Cordon Bleu’ dat wervelend opent met het geweldige ‘Chappaqua’ waarvan ik om meer dan één, deels jeugdsentimentele redenen, nog steeds kippevel krijg. Onverwachte wendingen, een melodie om te zoenen en prachtige solo’s o.a. van Tom Barlage op sax en Willem Ennes op keyboards. Het geheel op meesterlijke wijze bijeengehouden door de ritmesectie met Guus Willemse op bas en Hans Waterman op drums. En deze loftuitingen gelden voor alle tracks. Het heerlijke ‘Third Line (part 1 & 2)’, het liefdeslied ‘A Song for You’ met de karakteristieke stem van Willemse, het min of meer experimentele ‘Whirligig’ en het mooie ‘Last Detail (part 1 & 2)’. Het album sluit af met het sterke ‘Black Pearls (part 1 & 2)’, een anti-drugssong die in mijn geheugen gegrift staat. Ik kon de track vanochtend nog letterlijk meezingen alsof ik het gisterenavond voor het laatst gehoord had.
Dames en heren van de platenmaatschappijen. U heeft goud in handen alleen u behandelt het alsof het messing is. Word wakker en breng albums als ‘Cordon Bleu’ van Solution opnieuw uit. U zult er niet rijk van worden maar belangrijker: u doet recht aan Nederlandse muziekhistorie en ik ben er zeker van dat velen u dankbaar zullen zijn.
JoJo (06-2005)


Bezetting:
Guus Willemse - bass, vocals
Willem Ennes - keyboards
Tom Barlage - saxes, flute
Hans Waterman - drums, percussion

Discografie:
Soulution (1971)
Divergence (1972)
Cordon Bleu (1975)
Fully Interlocking (1977)
It's only Just Begun (1980)
Runaway (1982)
Solution Live (1982/83)

Reviews S

David Sylvian –
Approaching Silence (1999)


Label: Venture
Bandsite: www.davidsylvian.com
Duur: 52:53
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De eerste solo-albums van David Sylvian konden mij zeer bekoren. ‘Brilliant Trees’, ‘Gone to Earth’ en ‘Secrets of the Beehive’ ervaar ik nog steeds als meesterwerken. Ook zijn vroegere band Japan scoorde hoog. In de loop der tijd vind ik het werk van Sylvian echter verworden tot doorgeschoten ‘arty’ en ‘would be’ muziek waarin nauwelijks enige significante ontwikkeling is waar te nemen. Over progressief gesproken. Het gaat zelfs zo ver dat de op zichzelf rustgevende zang en het kabbelende geneuzel mij inmiddels danig op de zenuwen werken. Blij verrast was ik dan ook toen ik tegen een volledig instrumentaal album van Sylvian opliep. Waaraan ook nog een zacht prijskaartje hing. De keuze was gauw gemaakt. Die ging in de tas.
Sylvian wordt op ‘Approaching Silence’ bijgestaan door ene Frank Perry en Robert Fripp. Fripp kan bij mij een potje breken, vooral wanneer hij zich richt op de doorgaans nog steeds excellente groepsprestatie binnen King Crimson. Wanneer hij zich echter bezig gaat houden met vrijwel door soundscapes en elektronica gedomineerde muziek – zoals hij o.a. liet horen op het zeer matige ‘A Temple in the Clouds, The Soundscapes of Jeffrey Fayman & Robert Fripp’ – gaat bij mij van saaiheid het licht al snel uit. Helaas lijdt ook ‘Approaching Silence’ aan dit euvel.
De drie tracks op dit album zijn geschreven als muzikale entourage bij twee onafhankelijke multi-mediale installaties die in 1990 en 1994 in galeries in Tokyo werden tentoongesteld. Criteria waaraan composities kunnen worden getoetst zijn harmonie, eenheid, symmetrie en balans. De drie tracks vormen in zichzelf en over de gehele linie een geheel en er is sprake van enige symmetrie aangezien de composities een structuur kennen van een kop, een romp en een terugkerende kop in de vorm van een staart. Wat echter hopeloos ontbreekt is harmonie en melodie. Eigenschappen waaraan bijvoorbeeld de elekronische muziek van Klaus Schulze zo goed voldoet. Die is in staat om fragmenten te verwerken die zo melodieus zijn dat ze na enige tijd nog gelukzalig in het hoofd tintelen. Op dit album van Sylvian is melodie echter ver te zoeken. Bovendien is er sprake van een overmaat aan balans waardoor het album uitermate saai is, hetgeen nog in de hand wordt gewerkt door de lengte van de tracks. Er lijkt geen eind aan te komen. De titeltrack klokt bijvoorbeeld 38 minuten. Er zitten hele aardige passages in dus ik sluit niet eens uit dat als het twintig minuten korter was geweest de track nog een voldoende zou hebben gekregen. Nu gaat het ten onder aan voorspelbare en slaapverwekkende herhaling. Op geen enkel moment veerde ik op, spitste de oren en dacht “wat gebeurt hier?”. Een sensatie die ik in het wat ‘kortere’ openingsnummer ‘The Beekeeper’s Apprentice’ - toch nog drieëndertig minuten - zo af en toe nog wel had. Maar ook daar sloeg desondanks de verveling toe door het ontbreken van spanning. De slechts twee minuten durende tussenliggende track ‘Epiphany’ vormt een aardig intermezzo. Niet meer dan dat.
Met dit instrumentale album werd ik wederom teleurgesteld in David Sylvian. Ontegenzeggelijk een artiest met kwaliteiten maar die haalt hij naar mijn bescheiden mening nog maar zelden uit de tas. Het is te hopen dat de kunstwerken waar deze muziek ooit voor is geschreven beter voldoen aan de genoemde criteria die je aan een goede compositie kunt stellen dan ‘Approaching Silence’.
JoJo (04-2006)

Bezetting:
David Sylvian –guitars, synthesizers, shortwave, samples
Robert Fripp – frippertronics, voice
Frank Perry – moan bells, bowed gong, finger bells

Discografie:
Brilliant Trees (1984)
Alchemy: An Index of Possibilities (1985)
Gone to Earth (1986)
Secrets of the Beehive (1987)
Dead Bees on a Cake (1994)
Approaching Silence (1999)
Everything and Nothing (2000)
Camphor (2002)
Blemish (2003)
The Good Son vs. The Only Daughter (2004)

Reviews S

Sula Bassana - Dreamer (2004)

Label: Sulatron Records
Bandsite:
Sulatron Records
Duur: 44:54
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

In mijn puberteit en adolescentie vertoefde ik met mijn vrienden regelmatig in hogere sferen. De tijd van waterpijp, lichtorgels en vloeistofdia's en natuurlijk van de joppers, Afghaanse jassen en kleurrijk geborduurde stukken op de broek. Door de rook om onze hoofden konden wij elkaar nog net waarnemen en genoten wij van de psychedelische klanken van de vroege Pink Floyd en de space van Gong. Toen de rook om ons hoofd was verdwenen bleven de kostbare herinneringen over. Deze herinneringen werden weer eens tot leven gebracht bij beluistering van 'Dreamer' van Sula Bassana. Ik ruik en proef in deze schijf het verleden en voel de spirit en synergie weer die er toen waren. Zelfs de hoes straalt dat uit.
Sula Bassana staat onder aanvoering van en is duizendpoot Dave Schmidt. Duizendpoot omdat hij ook in andere bands van het Sulatronlabel speelt zoals Zero Six en Weltraumstaunen. Schmidt is een idealist, gezien zijn steunbetuigingen op internetsite en hoes aan Greenpeace en Amnesty International en zijn oproep "To free Tibet". Prijzenswaardig en … waren wij toen ook niet, dankzij of ondanks de waterpijp, idealisten? Bovendien is hij multi-instrumentalist en speelt hij alle instrumenten zèlf; smaakvol gedaan want bij 'Dreamer' heb ik permanent de sensatie dat ik naar een heuse band zit te luisteren.

De aftrap wordt gegeven door het titelnummer waarin scheurende orgels, mellotrons, een pakkend gitaarthema en een lispelende stem de luidsprekers uit knallen. Een prima track al had de productie beter gekund want het geluidsspectrum zit wat vol en er is teveel hoog. Een kritiekpunt dat overigens op de andere tracks minder van toepassing is. 'Dealer McDope' kent referenties aan de vroege spacerock van Hawkwind en de zang heeft lijntjes met The Beatles toen ook zij in hoger sferen verkeerden. Een eerste hoogtepunt – er volgen er nog meer – wordt bereikt in 'My Blue Guitar'. Een Floydiaanse track waar Schmidt in zijn gitaarspel de snaaraanslag en het sustain van David Gilmour laat weerklinken en waar het prachtige orgel en de gedegen drums de basis leggen. Wonderschoon. Op het electronische 'Nervenlähmung' zweef ik nog wat verder weg om terecht te komen bij het bijna 13 minuten durende 'Ananda'. Daarin wordt hoge-school-psychedelica bedreven. Het bezwerende en rustige ritme, de experimentele fluit- en saxuitspattingen, het wederkerende keyboardakkoord en de sitar zorgen dat ik niet meer van deze wereld ben. De up-tempo erupties in het laatste deel zorgen dat ik weer terugkeer op aarde. Wederom een hoogtepunt.
'Dreamer' wordt afgesloten met Pink Floyd's 'Baby Blue Shuffle in D Major'. Hoewel covers doorgaans niet aan mij besteed zijn, is hier sprake van een indrukwekkend eerbetoon. Schmidt blijft hier gelukkig niet steken in een gemakkelijke kopie. Hij gebruikt de oorsprong weliswaar als bouwstof maar giet het vervolgens in de Sula Bassana mal. Wat resulteert is een tonale hersenspoeling waarin de mellotrons zoals altijd prachtig zijn en tot kippenvel leiden.
Het album 'Dreamer' is een absolute aanrader voor iedere liefhebber van progressieve rock maar met name voor de volgers van Pink Floyd. Voor mij persoonlijk is 'Dreamer' een soort tijdmachine die mij in staat stelt oude tijden te laten herleven en de toekomst weer met veel energie te lijf te gaan. Hoe belangrijk kan muziek zijn.
Jo Jo (6-2004)

Bezetting:
Sula Bassana - all vocals and instruments e.g. Gibson SG, Fender and Elvis basses, Roland, Moog and Korg synthesizers, Mellotron, organ, sitar, Trixon and Tama drums, drumsampler computer, flutes and other little stuff...

Discografie:
Dreamer (2002, vinyl)
Sulatronics (2003, eigen beheer CD/r)
Retronique (2003, samen met Vibravoid)
Dreamer (2004)

Reviews Q

Quill - Sursum Corda (1977)

Label: Syn-Phonic
Bandsite:
http://synphonic.8m.com/
Duur: 35:32
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Mocht u ooit op een beurs of veiling de vinylversie van 'Sursum Corda' ('Lift up your heart') van de Amerikaanse band Quill uit 1977 tegenkomen, dan zou ik haar - gezien de excessieve verzamelaarswaarde - maar in de tas laten glijden. En dat geldt tevens voor de repressing op CD van dit werkstuk. Want u krijgt 35 minuten symfonische rock van misschien niet de bovenste maar dan toch wel de één na bovenste plank. Gestoken in een prachtige en informatieve hoes maakt u al luisterend deel uit van "a musical fantasy story of a complete and separate world which you can enter in and travel about, staying as long as you wish; and you may come back whenever you please".
Het driemansschap Ken DeLoria, Keith Christian en Jim Sides heeft ooit, door het uitblijven van succes en het maffiose gedrag van de muziekindustrie, enigszins verbitterd en gedemotiveerd het muzikale bijltje erbij neergegooid. Hoewel DeLoria en Sides niet geheel verloren zijn gegaan voor de muziek want zij zijn momenteel eigenaren en managers van Apogee Sound Incorporated, een mondiaal bedrijf dat 'sound systems' en luidsprekers voor concerten en grote evenementen maakt. Van demotivatie is echter op het uit twee delen bestaande 'Sursum Corda' absoluut geen sprake. Het 19 minuten durende openingslibretto ('First Movement') is overweldigend door de pakkende melodieën, de virtuoze solo's op de vintage toetsen waaronder hammond organ, mellotron en ARP strings en door de schitterende orkestraties en arrangementen. DeLoria is een geweldenaar op de toetsen waarbij 'The March of Kings' eruit springt. Hij refereert op synthesizer en orgel aan Keith Emerson, terwijl hij bij het beroeren van de piano door zijn toetsaanslag klinkt als jazzpianist Keith Jarrett. De gedoseerde zang is redelijk tot goed maar is helaas wat naar de achtergrond gemixt.
In het 'Second Movement' zet de hoge kwaliteit zich een kwartier lang voort, hoewel de melodielijnen hier wat minder vloeiend zijn en ook de zang wat achterblijft. Kritiekpunt kan ook zijn dat Quill te weinig een eigen geluid laat horen. Ook in dit tweede deel bevinden zich immers vele verwijzingen naar met name ELP maar ook naar Yes, Fields en Jackson Heights.
Het tweede werkstuk 'The Demise of the Third King's Empire' uit 1978 werd helaas tengevolge van financiële problemen nooit uitgebracht. Er moeten wel opnames van in omloop zijn want het immense stuk is zo'n twintig maal door Quill live gespeeld. Laten we hopen dat Greg Walker van Syn-Phonic Records ooit besluit 'The Demise …' alsnog op de markt te brengen want naar verluidt schijnt dit mysterieuze tweede album het prima debuut te overtreffen. JoJo (4-2004)

Bezetting:
Ken DeLoria - hammond B2 organ, moog synthesizers, mellotron, harpsichord, steinert grand piano, ARP string ensemble, RMI keyboard computer
Jim Sides - vocals, drums, cymbals, orchestra bells, tubular bells, tympani
Keith Christian: vocals, rickenbacker bass, nylon string guitar

Discografie:
Sursum Corda (1977)

Reviews P

Paatos - Kallocain (2004)

Label: Inside Out Music
Bandsite: paatos
Duur: 51:36 (duur DVD: 30:00)
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)

Het maken van een uitstekend debuutalbum kent allerlei gevaren. De verwachtingen van het publiek raken oververhit, de artiest worstelt daardoor nogal eens met een 'writers block' en wordt beheerst door de angst of de hoge kwaliteit wel kan worden vastgehouden. Wellicht dat de dame en de heren van Paatos hier ook aan hebben geleden – hun eersteling was immers een juweeltje (zie recensie elders op AFTERglow) – van angst of twijfel over het gebodene is echter in het geheel niets te merken op hun tweede album 'Kallocain'. Een tweede album dat zowel in een enkele uitgave als met een extra DVD van een concert in het Duitse Rockpalast TV op de markt is gebracht.
De titel van het album is ontleend aan een boek van de Zweedse auteur Karin Boye, waarin het verlangen naar een utopische en perfecte maatschappij wordt beschreven. Een verlangen dat in de teksten op 'Kallocain' terugkomt, teksten die overigens duidelijk maken dat het ook in de relevante omgeving van de leden van Paatos zeker nog geen koek en ei is met sociale relaties, emoties en aanverwante mechanismen. "Suddenly my only friend is loneliness", zingt zangeres Petronella Nettermalm prachtig in 'Happiness'. De utopie blijft derhalve een utopie, het verlangen een verlangen. Een en ander heeft ook gevolgen voor de stemming op deze schijf die niet somber is – dat zou een te donker beeld schetsen – maar die dan toch op z'n minst melancholisch genoemd mag worden. Een term die de leden van Paatos ook vaak reserveren om hun muziek te karakteriseren. En melancholie raakt mij altijd direct in het hart. In melancholie en romantiek ligt naar mijn mening de ware kunst besloten en in die sfeer van 'lijden' komen de beste kunstwerken tot stand. Zo ook hier, want we hebben hier weer een progressief pareltje in handen.
Het door Steve Wilson van Porcupine Tree gemixte album bestaat uit 9 tracks waarin te allen tijde de stem van Petronelle Netterhalm aanwezig is en vaak sprake is van een gelijke opbouw. Kenmerkend voor Paatos vind ik hun vermogen om de onderdelen van de composities kundig op te stapelen om uiteindelijk en onvermijdelijk uit te komen bij een euforische climax van instrumenten dan wel bij een gedragen emotioneel einde. De prachtige 'vintage' mellotrons van Johan Wallèn en de gitaren van Peter Nylander spelen in die outro's een cruciale rol. 'Happiness', 'Absinth Minded', 'Look At Us' en 'Won't Be Coming Back' zijn uitstekende voorbeelden van zo'n opbouw. En al heeft Paatos een eigen geluid, associaties met King Crimson, Landberk – logisch gezien de historie van de band, al is Reine Fiske inmiddels vertrokken – Prefab Sprout en invloeden vanuit de vroegere 'new wave' kunnen niet worden ontkend. Wat mij betreft had de mellotron, zeker in die genoemde delen van de tracks, wat dominanter in de produktie aanwezig mogen zijn. Nu dreigt hij soms ten onder te gaan in het geweld en daar is de mellotron een te mooi instrument voor.
Naast en tussen de genoemde nummers is een aantal 'ballads' geplaatst. Een term die in de progressieve muziek wellicht niet geheel de lading dekt, maar in ieder geval wat relatief rustiger tracks waarin een pakkende melodielijn een aantal malen wordt herhaald. Het gevoelige 'Holding On', 'Reality' en 'In Time' vallen onder die noemer. Speciale aandacht vraag ik in die categorie voor 'Stream', dat ik een juweel vind en dat een beeldende illustratie biedt van wat de synergie tussen klassieke muziek en prog kan opleveren. Al is het thema wel erg afgeleid, zeg ik enigszins eufemistisch, van een pianosonate van ik dacht Chopin. Maar Petronella Netterhalm galmt en deint met haar stem vaardig mee op de symfonische klanken. Haar stem is zeer karakteristiek en vraagt veel ruimte in het geluidsspectrum van Paatos. En daar ligt wel een toekomstige valkuil te wachten. Dit soort overheersende stemmen herbergen het gevaar dat alles op elkaar gaat lijken. Dat gevoel had ik in het verleden bij Peter Hammill's Van der Graaf Generator en recent bij Roine Stolt van The Flower Kings. Ook twee niet te vermijden stemmen. Wellicht dat à la The Flower Kings deze valkuil in de toekomst door Paatos kan worden omzeild door een extra zanger aan te trekken waardoor meer variatie zal ontstaan.
Resumerend heeft Paatos met 'Kallocain' wat mij betreft volledig aan de hooggespannen verwachtingen voldaan. Een album dat nog meer compositorisch evenwicht kent dan het debuutalbum, wel enige draaitijd nodig heeft maar dan heb je ook wat. Het schitterende en intrigerende 'art work' maakt het geheel compleet.
JoJo (8-2004)


Bezetting:
Huxflux Netterhalm - drums, percussion, programming, additional keyboards and vocals
Stefan Dimle - electric and upright bass
Johan Wallen - keyboards
Peter Nylander - guitars
Petronella Netterhalm - lead vocals, cello
Anders Bergman - violin

Reviews P

Paatos - Timeloss (2002)

Label: Stockholm Records
Bandsite:
paatos
Duur: 39:47
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)

Kippen en eieren, oorzaken en gevolgen. Daar wil ik deze recensie mee beginnen. De punk en new-wave stromingen eind zeventiger, begin tachtiger jaren waren niet alleen een reactie op de politieke en sociaal-economische situatie in die tijd. De punkbands en haar volgers openden ook de aanval op de ingedutte, weinig maatschappijkritische en 'kijk eens hoe goed ik kan spelen' muziek waartoe in hun ogen ook de symfonische en progressive rock behoorde. Bij beluistering van het debuut van het Zweedse Paatos vroeg ik mij af of de aanval uit de punkhoek ook zo heftig zou zijn geweest als de progrock in dat tijdsgewricht zou hebben geklonken als de muziek op "Timeloss"? Of kan "Timeloss" alleen maar zo klinken dankzij de invloeden uit de new wave? Het al dan niet bestaan van causale verbanden, een moeilijke materie. Wat ik in ieder geval ervaar is dat op dit fenomenale album bewust of onbewust door de makers citaten en referenties aan new wave bands en artiesten als The Passions, Patti Smith, Au Pairs en The Blue Nile op een creatieve en smaakvolle wijze zijn verwerkt. Waarmee Paatos wellicht mede een bijdrage levert aan een 'new wave' in de progrock. Zoals ook Anekdoten al een aantal jaren doet. Tevens ligt een vergelijking met het Zweedse Landberk voor de hand, gezien het Paatos-lidmaatschap van Stefan Dimle en Reine Fiske. Landberk, ook al zo'n band die anders klinkt dan de hoofdstroom in de progrock. Het kan toch geen toeval zijn dat alle genoemde bands uit het hoge noorden komen?
Wat heb ik de afgelopen donkere winterweken een plezier beleefd aan dit album. Zelden heb ik zoveel emotie en gevoel gehoord in muziek als op "Timeloss". Daar is zeker niet in de laatste plaats de directe manier van opnemen de oorzaak van. De band heeft er bewust voor gekozen op te nemen in een kleine studio, waar men meer tijd kreeg om eigenheid in de productie te leggen. Dat is gelukt. Zangeres Petronella Nettermalm is zo 'dichtbij' dat je haar hoort ademhalen en kreunen. En hoe dichterbij, hoe intiemer, zoals u ongetwijfeld uit ervaring weet. Hoewel Nettermalm geen excellente stem heeft, is het een stem die uitstekend past bij de muziek, zowel in de rustige als de vinnige passages.
Het album opent easy listening met "Sensor" maar krijgt al snel de hierboven bedoelde new wave felheid. Ondersteund door prachtige mellotronklanken van Wallén schreeuwt Nettermalm het uit en via een gitaarsolo 'ontaardt' de track in een bombastisch einde. "Hypnotique" beschouw ik als een hoogtepunt en als één van de beste nummers die de laatste tijd in de progrock zijn verschenen. Sensitief en met veel pathos reciteert Petronella de tekst en bereidt samen met de gitaarklanken van Fiske, de dwarsfluit van gast David Wilczewski en de mellotron van Wallén langzaam maar zeker een climax voor. Een climax zelden gehoord met een prachtig door de gitaar gespeeld thema waarin Landberk opzichtig doorklinkt en waarna de band hartstochtelijk loos gaat. Deze track krijgt qua thematiek, arrangement en opbouw een logisch vervolg in het tweede hoogtepunt "Téa". Ook dit nummer begint ingehouden met piano en zang, waarbij het lijkt alsof de zangeres in de kamer staat. Ook hier is het rustige deel de wegbereider voor een vurige en dramatische culminatie waarin de mellotron gelukkig weer een hoofdrol speelt en drummer Huxflux Nettermalm de band kundig bij elkaar houdt. Koude scandinavische rillingen bevangen mij.
"They are beautiful" zet de onbevangenheid van kinderen naast het geweld van oorlog en ellende. Een track waarin de band in de uitvoering een interne strijd lijkt te voeren: beelden we het kind of de oorlog uit? Men kiest voor het kind, wat resulteert in een lieflijk en ingetogen nummer dat aanzet tot denken en dromen. Dit indrukwekkende debuut wordt in stijl afgesloten met het twaalf minuten durende "Quits". Ook hier weer new wave invloeden, zeker aan het begin. Op een Patti Smith-achtige wijze bezingt Nettermalm verraad in een relatie. Een echt fusionnummer waarin pop, new wave, jazz en prog in de blender worden gegooid met als gevolg een modern klinkend geheel dat op een dance party geen slecht figuur zou slaan. De bas van Stefan Dimle soleert creatief en de gastblazers (saxofoon, trompet en trombone) domineren een climax waarin de band het spoor kwijt lijkt te zijn. Ik benadruk 'lijkt' want het is een geordende chaos die refereert aan "The Devil's Triangle", bekend van The Wake of Poseidon van King Crimson. De cirkel lijkt daarmee rond te zijn.
Dit in een mooi verzorgde digi-pack met paarstonen gestoken debuutalbum bezorgt mij iedere keer weer een hersenspoeling. Het teistert mijn mentale databank gevuld met symfo en prog, het zet de luikjes open naar dat 'verdrongen' deel van mijn leven waarin ik stiekeme uitstapjes maakte naar de new wave en het laat het gevoel weer stromen. Laat Paatos ook uw hersens spoelen: ze hebben het af en toe nodig.
JoJo (2003)


Bezetting:
Petronella Nettermalm - vocals
Hunflux Nettermalm - drums, congas
Johan Wallén - piano, hammond organ, moog, mellotron, steinway grand piano
Reine Fiske - electric & acoustic guitars
Stefan Dimle - electric & double bass

Discografie:
Timeloss (2002)
Kallocain (2004)
Silence of Another Kind (2006)

Reviews P

Par Lindh Project - Veni Vidi Vici (2001)

Label: Crimsonic Label
Bandsite:
Par Lindh Project
Duur: 50:57
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Mijn eerste kennismaking met Par Lindh dateert van een jaar of vier terug. Ik kocht toen Bilbo, een werkstuk dat hij samen met Bjorn Johansson componeerde en uitvoerde en dat is gebaseerd op De Hobbit van Tolkien. Bilbo is een lieflijk en vrij rustig album in de Oldfield-traditie en moest volgens Lindh worden gezien als een uitstapje. Het hier besproken album past dan ook in het meer reguliere werk van Lindh.
Par Lindh is een begenadigd en virtuoos toetsenspeler die gewapend met een groot arsenaal aan toetsenborden de doorgaans door hemzelf geschreven composities aanvalt. De vergelijking met Emerson, Lake and Palmer ligt voor de hand, niet alleen door het veelvuldig gebruik van keyboards maar ook door zijn voorkeur voor thema's en akkoordenschema's uit de klassieke sector. Een verschil met deze voormalige symfodino is dat Par Lindh geen vaste band heeft maar met wisselende bezettingen werkt. Vandaar de toevoeging 'project'. De kern van het projectteam bestaat dit keer naast Lindh uit Nisse Bielfeld en Magdalena Hagberg, aangevuld met een aantal werkgroepleden waaronder Jonas Reingold van The Flower Kings.
Lindh heeft zich op Veni Vidi Vici, in vergelijking met zijn vorige studio-album Mundus Incompertus, gericht op een meer songgerichte aanpak. Een aanpak die grosso modo aardig uitpakt maar die in de toekomst zeker meer verfijnd kan worden door het maken van keuzes. Zo vind ik sommige tracks, zoals "Gradus ad Parnassum", te lang, worden solo's te ver doorgevoerd, bewandelt men teveel zijpaden en duurt het lang voordat het hoofdpad weer wordt gevonden. Nu heb ik niets tegen lange nummers - daar is de prog en symfo groot mee geworden - maar ik merk dat ik op deze schijf af en toe mijn concentratie verlies en dat mijn gedachten afdwalen.Gelukkig weten Lindh en zijn projectleden op een aantal momenten mijn oren weer te spitsen. Zo lukt dat in het wervelende en up tempo titelnummer, met veel variatie in de instrumenten tot aan het kerkorgel van Enkoping toe. Een puntje aftrek echter voor het tussentijdse nutteloze geschreeuw van drummer Bielfield.
Rustpunten worden gecreëerd door de bijna religieuze intermezzi met kerkkoor en orkest zoals "Adagio con flauto et clavecimbalo". En het evenwicht tussen thema, solo's, rustpunten en lengte weet Lindh perfect te vinden in "Tower of thoughts" en "Juxtapoint". In de daarin aangebrachte dosering herkent men de meester. De ijle stem van Hagberg past zeker goed bij de rustiger passages maar haar stem kent weinig diepte en mist kracht. Live zou zij zeker ten onder gaan in het keyboardgeweld.
Projectmatig werken is o.a. het stellen van prioriteiten en het maken van keuzes en dan niet alleen in de bezetting. Als Par Lindh ook zou hebben gekozen voor de juiste dosering in de uitvoering dan zou mijn waardering van dit album zeker hoger zijn geweest. Nu blijft het een aardige middenmoter.
JoJo (2003)


Bezetting:
Par Lindh - keyboards
Nisse Bielfeld - drums, vocals
Magdalena Hagberg - vocals, violin
En o.a.
Jonas Reingold - bass
John Hermansen - guitarJens Johanson - flute

Discografie:
Gothic Impressions (1994)
Rondo (EP) (1996)
Bilbo (with Bjorn Johansson) 1996
Mundus Incompertus (1997)
Live in America (1999)
Veni Vidi Vici (2001)
Live in Iceland (2002)

Reviews P

Periferia del Mondo - In ogni luogo,in ogni tempo (2000)

Label: Akarma
Bandsite:
Akarmarecords.com
Duur: 58:14
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Deze CD kocht ik enige maanden terug in een opwelling want ik kende de band Periferia del Mondo (PdM) slechts van naam. Toen ik "In ogni luogo, in ogni tempo" onder de laser legde en beluisterde, ben ik vervolgens eens op de digi-pack gaan kijken uit welk jaar deze release was. Uit 2000 !! Ik viel van verbazing uit mijn stoel. Het klonk namelijk alsof het uit de jaren 70 stamde. Het is retro-symfo van de bovenste plank. Niet alleen door de muzikale invloeden (PFM, Banco, Van der Graaf Generator, Genesis) maar ook door de sfeer op deze schijf. Retro-symfo met kwaliteiten, maar gelardeerd met obligate teksten (in het engels en italiaans), een af en toe haperende, niet al te vaste drummer en een vlakke productie. Het geheel laat bij mij een indruk achter van 'semi-profs'. Een niet zo opwekkend begin van een recensie derhalve. Maar niet getreurd. De minpunten weten deze Italianen echter te compenseren met redelijk tot goede composities.
De schijf trapt veelbelovend af met "L'infedele" met een repeterend oosters synth-thema en een subtiel gespeeld intermezzo waarin de gitaar, dwarsfluit, klarinet en de sopraanstem van Stefanio Mastrogiovanni om voorrang vechten.De tweede bijdrage, "Ladro", vind ik ronduit knullig klinken. Een simpel thema in een 'jazz-fusion'-verpakking waarin de zang en de blazers kwalitatief op de rand balanceren en elkaar in de weg lijken te zitten. In track 3 "Leave your Daily" laat PdM horen een late leerling van Premiata Forneria Marconi (PFM) te zijn. Hoewel de oude meesters in een hogere divisie speelden, komt PdM hier verdienstelijk uit de hoek in een nummer dat goed blijft hangen. Minpunt is toch ook hier weer een klarinet die op het randje van 'vals' balanceert. Het vrij rustige "I Bless the Night' roept herinneringen op - met name door de zang - aan Genesis in de 'Phil Collins'-periode. Het begint heel mooi en ingetogen met een thema dat een aantal malen terugkeert. De expressievere delen van de track blinken wederom niet uit in zuiverheid van zang en samenspel en ook de drummer laat heel wat steken vallen. "Meltemi" is wat mij betreft een van de betere nummers. De sax maakt de verwijzing naar Van der Graaf Generator en er ontstaat na het intro een lang, experimenteel en psychedelisch middenstuk waarin de synthesizer heerlijk rommelt, pruttelt en op de achtergrond rondcirkelt. Het outro rondt "Meltemi" op een logische wijze af.

Een tweede uitschieter vormt het af en toe vrij stevige titelnummer dat zo'n typische Italiaans sfeertje kent dat ook gemakkelijk kan omslaan naar middle of the road à la Ramazotti. Dat is hier gelukkig niet het geval. Op een smaakvol synthesizertapijt zingt Papotto er lustig op los, soleert de sax op zijn best en ontspoort de gitaar in de goede zin van het woord. Jammer dat men dit niveau niet vaker haalt. "Brand" doet onverwacht denken aan Solution en Alquin. Compositorisch echter een niemendalletje met een drumsolo die achterwege had mogen blijven, zelfs als de drummer op een hoger plan had gestaan. Met bijna 12 minuten sluit "The Ghost in the Shell", naar de gelijknamige animatiefilm, dit debuut van PdM af. Hier is de invloed van landgenoten Banco en PFM niet te vermijden. De band hinkt hier echter op vele gedachten, er is weliswaar veel afwisseling maar de integrerende factor ontbreekt enigszins. Toch is dit een track die zeker laat zien dat de band tot meer in staat is.
Wat meer zelfkritiek bij PdM als het gaat om de repertoirekeuze en de muzikaal-technische uitvoering, zou zeker hebben geresulteerd in een evenwichtiger en kwalitatief beter album. Ook het art-work zet deze lijn voort en is het 'net niet'. De schijf is dan wel getooid met een digi-pack met een Dali-achtige afbeelding, maar heeft een 'low budget' uitstraling. Om te beoordelen of de heren hun leven hebben gebeterd neem ik mij voor binnenkort hun nieuwe album "Un milione di voci" te beluisteren. Tot dat moment gun ik hen het voordeel van de twijfel.
JoJo (2003)


Bezetting:
Claudio Braico - bass guitar
Alessandro Papotto - vocals, saxes, clarinet, flute, effects
Max G.B. Tomassi - all guitars
Bruno Vegliante - keyboards
Tony Zito - drums, percussion

Discografie:
In ogni luogo, in ogni tempo (2000)
Omaggio a Demetrio Stratos (2001, Live)
Un milione di voci (2002)

Reviews P

Poor Genetic Material - Summerland (2001)

Label: QuiXote
Bandsite:
PGM
Duur: 43:23
Reviewer: JoJo
Waardering: @ (uit max. 5 JoJo's)

De Duitse band Poor Genetic Material (PGM) – wat een gekunstelde naam – is een nevenproject van de heren Griffiths en Benedek, respectievelijk zanger en drummer van Alias Eye. PGM werd ooit opgericht door de andere twee leden Glomb en Jaehne en bewoog zich op de eerste twee werkstukken op het terrein van geïmproviseerde soundscapes. Met de uitbreiding van de band is men meer songgericht materiaal gaan componeren, waarbij de atmosferische achtergrond behouden bleef. Zo ook op 'Summerland'.
Ik heb al heel wat lovende woorden gelezen over deze band en met name ook over 'Summerland'. En ik moet zeggen dat ik daar weinig van begrijp, al is een aantal tracks best de moeite waard. Het klinkt hopeloos achterhaalt. Men teert voornamelijk op de ideeën van de bands uit de new wave en aanverwante stromingen zoals The Cure, Heaven 17, ABC en zelfs Duran Duran. De manier van zingen is daar ook een uiting van. Ten slotte is de productie ronduit iel en lullig te noemen. Met name de drums klinken abominabel en de toetsen alsof ze uit een Casio'otje komen. De citaten van de genoemde bands zijn goed te horen in de openingsnummers 'Shooting Psycho' en 'Wouldism'. Een positieve uitzondering is de track 'Living Desert' waar men zich beperkt tot het neerzetten van een soundscape, hoewel de zang ook hier nogal 'would be' overkomt. Maar daarna vervalt men weer in en vertilt men zich aan het maken van poppy songs. Als Griffiths dan in 'A Secret Song' ook nog een lachwekkende kopie van Talking Heads' David Byrne tracht op te voeren door op een quasi kwade manier teksten te declameren – iets waaraan hij zich ook al bezondigde in het openingsnummer - haak ik af en trek voor straf een aantal JoJo's af. In 'Late' blijft men gelukkig bij haar oorspronkelijke ambientleest en dat levert dan direct weer een aardig nummer op.
Het ruim elf minuten durende titelnummer begint veelbelovend met mooie synths en piano, klinkt in aanvang een stuk progressiever en levert, al is het dan kortstondig, wat associaties met IQ op. Met name doordat Griffiths de zang wat anders en beter aanzet. Maar na een minuut of zeven vervalt men weer in alle reeds genoemde minpunten. Resumerend vind ik mijn kennismaking met PGM via 'Summerland' een tegenvaller. En een dilemma bij het toekennen van de waardering. Een enkele JoJo (slecht) zou te weinig zijn terwijl twee JoJo's (matig) weer te veel eer is. Maar een tussencategorie hebben we niet dus ik moet een knoop doorhakken. Hadden de heren van PGM dat ook maar gedaan toen ze moesten kiezen tussen poppy songs of ambient soundscapes. Ten faveure van de laatste natuurlijk want dat gaat ze een stuk beter af.
JoJo (3-2004)

Bezetting:
Philip Griffiths - vocals
Philipp Jaehne - keyboards
Stefan Glomb - guitars, bass
Ludwig Benedek - drums

Discografie:
Free to Random Vol. 1 (1999)
Free to Random Vol. 2 (2000)
Summerland (2001)
Leap into Fall (2002)
Winter's Edge (2003)

Reviews P

Porcupine Tree - Deadwing (2005)

Label: Lava Records/WEA
Bandsite: PorcupineTree
Duur: 59:44
Reviewer: JoJo

Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Open brief aan Steven Wilson p/a Lava Records, USA

Zeer gewaardeerde heer Wilson,
Mijn dBase telt inmiddels 42 items van uw uitstekende band Porcupine Tree en de vele sideprojecten waarbij u betrokken bent. Ik voel mij dan ook sterk verbonden met u en uw werk en daarom gerechtigd u dit schrijven te doen toekomen
.

Toen ik vele jaren terug uw band ontdekte was ik verbaasd over de uitzonderlijk hoge kwaliteit van de composities, de krachtige maar ook subtiele uitvoering en de psychedelische sfeer waarin de albums waren gegoten. “Hij is verder gegaan waar Pink Floyd geëindigd is”, zei ik als verstokte Floydfan. Al vernam ik uit welingelichte kringen dat u met die repeterende associatie niet altijd even blij was. Zwakke albums maakte u niet. Wel hoogtepunten zoals ‘The Sky Moves Sideways', ‘Signify', ‘Coma Divine' en ‘Lightbulb Sun'. Natuurlijk voelde ook u dat op den duur een lichte wending noodzakelijk was. Het voorlaatste album ‘In Absentia' was daar met wat toegankelijker en lichtvoetiger tracks een uiting van. Hoewel ik bedenkingen had en heb, beklijfde dit album ten slotte min of meer door de goede composities.
Nu heeft dan uw nieuwste boreling het levenslicht gezien. Met het verschijnen van ‘Deadwing' heeft de tendens naar toegankelijkheid zich helaas vastgezet, somtijds aangevuld met metalachtige passages. En ik moet u eerlijk zeggen: dat bevalt mij helemaal niet. U komt daarmee in de contreien van de ‘mainstream' in de progrock. Hetgeen uw ‘popie jopie' platenmaatschappij - kijk naar hun site en huiver - zeer zal uitkomen. Porcupine Tree wordt meer van hetzelfde. Het twinkelt en sprankelt niet meer, de creatieve elementen en verrassingen zijn grotendeels verdwenen. Het blijft aan de goede kant van de streep en zo af en toe schemeren uw ongekende kwaliteiten door zoals in ‘Arriving Somewhere but not here' of in ‘Open Car'. Maar per saldo is het gemiddeld geworden. Volgens mij bent u echter geen man van gulden middenwegen en compromissen. En toch klinkt alles zo. Er moet dus iets aan de hand zijn met u ….
Ik matig mij aan te weten wat er aan schort. U bent te druk. Als je teveel weet, raak je in de war. Als je teveel doet ook. Ik adviseer u dan ook: ga er eens een jaar of twee tussenuit. Een ‘sabbatical period' doet wonderen. Het stimuleert de creativiteit, het hoofd raakt leeg, nieuwe wegen en kansen kunnen weer worden waargenomen. Een tweede advies: maak keuzes want u wilt en doet teveel. U wilt producer, muzikant, componist en met ‘Deadwing' zelfs scenarioschrijver van films zijn. Niet alleen in PT maar ook binnen No-Man, Incredibly Expanding Mindfuck, Bass Communion, Blackfield en wat al niet meer. U droogt sneller dan nodig op. Uw houdbaarheidsdatum komt daarmee met rasse schreden in het zicht.
Een laatste advies dat daarmee samenhangt: delegeer en vertrouw op uw prima bandleden. Hoewel u gast Adrian Belew een aantal passages op gitaar heeft laten overnemen, heeft u er op ‘Deadwing' vreemd genoeg zelfs voor gekozen om bas te spelen op vier van de negen tracks! Terwijl u de uitstekende Colin Edwin in de gelederen heeft. Ergo: maak keuzes en trek eens door de wereld. Een paar maanden Rottumerplaat doet wonderen of ga zoals Paul Cook van IQ een jaar of wat de Schotse Hooglanden in. U zult uw werkelijke kwaliteiten weer ontdekken en u gaat weer genieten. En dientengevolge de luisteraar ook.
Hoogachtend,

JoJo (04-2005)

Bezetting:

Steven Wilson - vocals, guitars, piano, keyboards, hammered dulcimer, bass guitar
Richard Barbieri - keyboards, synthesizers
Colin Edwin - bass guitars
Gavin Harrison - drums, percussion
Gasten:Adrian Belew - sologuitar track 1 en 4
Micheal Ákerfeldt - harmony vocals, 2e sologuitar track 5

Discografie (beperkte selectie):
On the Sunday of Life..... (1991)
Voyage 34 (1992)
Voyage 34 : Remixes (1993)
Up the Downstair (1993)
Staircase Infinities (1994)
Yellow Hedgerow Dreamscape (1994)
The Sky Moves Sideways (1995)
Signify (1996)
Coma Divine Live (1997)
Stupid Dream (1999)
Lightbulb Sun (2000)
Voyage 34 - The Complete Trip (2000)
Recordings (2001)
Stars Die: The Delerium Years 1991 -1997 (2002)
In Absentia (2002)
Deadwing (2005)

Patrick O'Hearn

Eind jaren 70 en begin jaren 80 was Patrick O'Hearn bassist in één van de beste line-ups van Zappa's Mothers of Invention. Hij speelde o.a. mee op klassieke Zappa-albums als 'Sheik Yerbouti', 'Joe's Garage Act 2 & 3' en 'Tinseltown Rebellion'. Hoe groot is het verschil met de muziek die hij daarna als solo-artiest ging componeren en uitvoeren, want hij bekeerde zich tot 'electronic and ambient music'. En niet alleen als bassist maar O'Hearn bleek tevens een begenadigd keyboardspeler; iets waar hij bij Zappa, met geweldenaar Tommy Mars op toetsen, de kans niet voor kreeg. En hij heeft sinds die tijd een omvangrijke catalogus opgebouwd van autonoom werk en filmmuziek. Bovendien heeft O'Hearn als componist een aantal Grammy's ontvangen.
Op veel van zijn albums wordt hij productietechnisch bijgestaan door Peter Baumann, voormalig lid van Tangerine Dream. En dat is te horen aan met name de wijze waarop de sequencers en synths in het geluidsspectrum staan. Wat resulteert is een heel open en direct geluid, dat je voelt in de onderbuik en waarbij het lijkt alsof O'Hearn in je kamer optreedt. De elektronische rhythms die hij op zijn albums gebruikt zijn ongeëvenaard en zijn kwaliteit op dat punt is waarschijnlijk terug te voeren op zijn ervaring als bassist. O'Hearn schildert met kleuren die hij kiest en mengt op zijn sonische pallet. Een pallet dat veelal bestaat uit donkere kleuren. Door de gedoseerde toevoeging van wat lichtere teinten worden zijn albums echter nooit somber. Hij kiest daarbij doorgaans voor een klassieke symfonische opbouw van albumtracks. Dus met een kop waarin het thema wordt neergezet, een romp waarin hij varieert op het thema dan wel inhoudelijke uitstapjes maakt en een staart waarin het oorspronkelijke arrangement één of meerdere keren terugkeert.
Elektronische muziek vind ik vaak mank gaan aan compositorische en melodische armoede en het gebruik van de techniek om de techniek. Daar is bij O'Hearn geen sprake van. Composities zitten sterk in elkaar, waarbij de thema's zich snel opslaan in het hoofd en de techniek geen doel op zich is maar wordt ingezet als middel om het sonische pallet te verkennen. Verwacht niet Zappa-relikwieën in het werk van O'Hearn aan te treffen want die zijn er niet. Maar daar zullen de meeste elektro-adepten ook niet naar op zoek zijn. Of zij vinden waarnaar zij wèl op zoek zijn, kunnen zij bepalen aan de hand van de onderstaande recensies van voorlopig drie albums van O'Hearn. Drie werken die een aardig beeld schetsen van de ontwikkeling die O'Hearn doormaakte in de beginjaren.
JoJo

Reviews O

Patrick O'Hearn - Between Two Worlds (1987)

Label: Private Music
Bandsite:
www.patrickohearn.com
Duur: 48:12
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Ik heb 'Between Two Worlds' ooit gekocht op de naam van O'Hearn. Wist niet goed wat ik moest verwachten van een ex-Zappiaan die de elektronische muziek ontdekt heeft. Groot was mijn verrassing bij de openingstrack 'Rainmaker'. Een filmisch nummer, met sterke ritmes en prachtige toetsen en verrassende geluiden. Het daaropvolgende 'Sky Juice' kent echter een enigszins suf ritme en is mij te easy listening. Het is 'Langs-de-Lijn-muziek' waarvan je ieder moment verwacht dat het wordt weggedraaid om de tussenstand bij Cambuur – Den Bosch door te geven. En als je dan weer terugkomt bij de muziek blijk je niets gemist te hebben. Met deze eerste twee tracks hebben we direct de twee uitersten te pakken op 'Between Two Worlds', namelijk verwondering en verrassing bij de beeldende soms experimentele nummers met diepgang zoals 'Rainmaker' en 'Fire Ritual'. En het gevoel van lamlendigheid en traagheid bij eendimensionale tracks als 'Gentle was the Night, 'Cape Perpetual' en '87 Dreams of a Lifetime'. Na een vermoeiende dag best lekker maar niet te vaak.
Patrick O'Hearn moest duidelijk zijn weg nog vinden ten tijde van 'Between Two Worlds'. Hij hinkte op twee gedachten en bevond zich dus tussen twee werelden. Consistentie, diepgang en compositorische durf liet hij pas zien in zijn latere werk. Hier overheerst helaas de ellendige traagheid van het bestaan.
JoJo (7-2004)

Bezetting:

Patrick O'Hearn - synthesizers, bass, acoustic & electronic drums, percussion and a variety of sampled objects & noise makers
Brian Ransom - whistling water jar & creator of many ceramic instruments

Reviews O

Patrick O'Hearn - Rivers Gonna Rise (1988)

Label: Private Music
Bandsite:
www.patrickohearn.com
Duur: 45:37
Recensent: H. 'JoJo' de V.
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

'Rivers Gonna Rise' biedt een preview op een deel van de bezetting van de latere band 'Missing Persons' en kent met Bozzio, Cuccurullo en O'Hearn zèlf een hoog Zappa-gehalte. Of het komt door de bezetting òf door de 'natuurlijke' ontwikkeling die O'Hearn had doorgemaakt na 'Between Two Worlds', maar de oppervlakkigheid van dat voorgaande album heeft hier plaatsgemaakt voor elektronische muziek met meerdere lagen en onverwachte wendingen. O'Hearn heeft enige schroom van zich afgeworpen en durft langzaam maar zeker te jongleren met zijn instrumenten en met zijn compositorische kwaliteiten. In de rug gesteund en in balans gehouden door zijn collega-muzikanten die zich allen op hoog niveau bewegen.
Luister maar eens naar 'Glory for Tomorrow' waar O'Hearn ons de eerste doorkijkjes gunt naar het hoge niveau dat hij later o.a. op het album 'Indigo' zal bereiken. Gestuurd door de bas en toetsen van O'Hearn soleert de trompet van Mark Isham er lustig op los en schiet het nummer in de goede zin van het woord alle kanten op. Of geniet van 'Acadia' waar de warme klanken van de synthesizers de voorbode zijn van een zich langzaam opbouwend en repeterend thema. In 'Forgiveness' valt op wat een goede bassist O'Hearn is. In een op Jaco Pastorius gelijkende stijl geeft hij samen met de toetsen de structuur aan deze track. 'A Brief Repose' is prima ambient en zou zo op een album van Brian Eno kunnen staan. En dan die prachtige flügelhorn van Isham, een instrument dat qua warmte en toon perfect past bij deze laid backmuziek en het zelfs een licht jazzy toets geeft.
Ten slotte. Heel af en toe vervalt O'Hearn in het oude gedrag van 'Between Two Worlds' en komt hij met tè gemakkelijke, bijna 'middle-of-the-road' nummers op de proppen zoals 'Reunion'. Maar die zijn hier gelukkig veruit in de minderheid. Het grootste deel van 'Rivers Gonna Rise' is gevuld met prima, voornamelijk elektronische, muziek die compositorisch goed in elkaar zit en regelmatig voor verrassingen zorgt.
JoJo (7-2004)

Bezetting:
Patrick O'Hearn - synthesizers, bass, acoustic & electronic percussion
Peter Maunu - guitar
Warren Cuccurullo - guitar effects
Terry Bozzio - acoustic percussion
John Valen - acoustic percussion
Mark Isham - trumpet, flügelhorn

Reviews O

Patrick O'Hearn - Mix Up (1990)

Label: Private Music
Bandsite: www.patrickohearn.com

Duur: 46:41
Recensent: JoJo
Waardering: @ (uit max. 5 JoJo's)

Zoals uit de andere reviews van albums van Patrick O'Hearn op deze site blijkt, ben ik een volger van deze artiest en waardeer ik zijn autonome werk doorgaans als redelijk tot goed. Dat ligt anders bij 'Mix Up'.
O'Hearn heeft op 'Mix Up' gekozen voor het opnieuw laten mixen, door een stoet aan bekende producers, van een aantal reeds uitgebrachte tracks. Of zoals hij zelf zegt "extensively tweezed and disco-ized by the following individuals: David Frank, Joe 'The Butcher' Nicolo, David Barrett, Carmen Rizzo Jr. and Laney Stewart". Vooral het woord 'disco-ized' is hier helaas van toepassing. Neem uzelf eens mee in een gedachte-exercitie. U neemt als uitgangspunt heerlijke rustgevende electronische muziek waarop u weg wilt dromen in uw eigen 'ambient'. U kwam tenslotte thuis van een zeer vermoeiende werkdag. En uw buurman besluit op datzelfde moment om keiharde discomuziek te gaan draaien waarvan u 'slechts' de beats kunt onderscheiden die notabene ongevraagd door de muren meedreunen met het kabbelende geluid van de synthesizers en mellotrons op uw ambientalbum. En probeer dan het gevoel van irritatie voor de geest te halen wat u ongetwijfeld zou overvallen. Dan heeft u het gevoel te pakken wat mij overviel bij het beluisteren van 'Mix Up'.
De mix van de nummers is weliswaar zeer smaakvol gedaan, het geheel is gestoken in een heldere productie en af en toe krijgen de prachtige klanken van de originele nummers de kans om door de dominante ritmes heen te schemeren. Maar wat overheerst zijn de beats en de toegevoegde kenmerkende discogeluiden die het origineel op brute wijze verkrachten.

Eerlijk gezegd begrijp ik dit soort projecten van artiesten niet zo goed. Het is best interessant om te spelen met je composities, live worden er tenslotte ook modificaties aangebracht, en men zal lol hebben beleefd aan de gekke 'mixfratsen' die men nu weer had bedacht. Maar je hebt ooit niet voor niets gekozen voor de originele opmaak van de tracks. Daar zijn uitgebreide discussies, afwegingen, doordachte toevoegingen en weglatingen aan voorafgegaan. Die worden op deze wijze 'disco-ized' in de vuilnisbak gegooid. Onbegrijpelijk en een smetje op het verder overigens aantrekkelijke palmares van Patrick O'Hearn. Richt u dus op de andere items uit zijn catalogus en laat 'Mix Up' links liggen in de bak 'nieuw' en zelfs rechts in de ramsjbak.
H. 'JoJo' de V. (7-2004)

Bezetting:
Patrick O'Hearn - all instruments

Reviews O

Patrick O'Hearn - Indigo (1991)

Label: Private Music
Bandsite:
www.patrickohearn.com
Duur: 45:08
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Patrick O'Hearn laat zich op alle negen tracks van 'Indigo' ondersteunen door Warren Cuccurullo die verantwoordelijk is voor de "guitar ambience and aesthetic atmosphere". 'Indigo' is een coherent album dat uitblinkt door zijn heldere produktie, zijn dynamiek via de afwisseling van rustige en minder rustige tracks en de pakkende tot wegdromen en nadenken stemmende melodieën. Onhandig is de vermelding van de tracktitels uitsluitend op de CD zelf. Een beetje moeilijk bekijken als de schijf onder de laser straalt ..….
'Indigo' kent geen zwakke momenten maar wel drie uitschieters waarin alle in de inleiding op deze artiest genoemde kwaliteiten samenkomen. 'Sacrifice', de titel doet het al vermoeden, is een bijna religieus nummer dat begint met sacraal gezang van monniken en een fabelachtig thema en medidatief ritme kent. De na enige tijd invallende drums knallen de speakers uit, ondersteund door prachtige klanktapijten en onheilspellende geluiden. Ronduit geweldig is 'Upon the Wings of Night'. Een track die mij doet denken aan 'Alaska' van UK. De sfeer is bijna eng te noemen en de fantastische flügelhorn van ambientmuzikant Mark Isham kan slechts kippenvel veroorzaken. Het imponerende 'The Ringmaster's Dream' is door zijn opbouw en arrangement pure klassieke kamermuziek. In een traditionele bezetting van een kamerorkest zou het ideaal zijn om er in hoepelrok en pruikentooi op te dansen.
Een belangrijk deel van 's mans oeuvre is voor iedere liefhebber van elektronische muziek een aanwinst. Van de drie hier besproken albums is 'Indigo' echter verreweg het sterkste werkstuk. Een baken voor een ieder die zijn weg zoekt binnen dit toch altijd wat obscure muzieksegment. Wel speelt bij beluistering steeds de vraag door het hoofd "Wat zou Frank Zappa hiervan hebben gevonden?"
JoJo (7-2004)


Bezetting:
Patrick O'Hearn - keyboards, electronics, bass and percussion
Warren Cuccurullo - guitar ambience and aesthetic atmosphere
Mark Isham - horn

Reviews O

Patrick O’Hearn – Trust (1995)

Label: Deep Cave Records
Bandsite: www.patrickohearn.com
Duur: 45:32
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


In het kader van de serie ‘Volg Patrick O’Hearn’ (zie overige reviews) kan ik niet om een bespreking van ‘Trust’ heen. Het is overigens niet altijd even gemakkelijk om werken van O’Hearn, anders dan via internet, te kopen. De meeste tikte ik op de kop bij ‘De Plaatboef’ in Rotterdam. Zo ook deze. Ik spoedde mij naar huis en ….
…. ik viel direct met de deur in huis: wat een geweldig album! Ik begrijp wel waarom ‘Trust’ in het releasejaar genomineerd werd voor een Grammy. Het sterke van O’Hearn vind ik dat dat hij in staat is om somberheid te koppelen aan warmte. De meeste composities klinken donker en bedrukt en toch gaat er een weldadige warmte en rust van uit. Terwijl collega’s in het instrumentale elektronische genre nogal eens blijven steken in klinische, digitale kilte waar ik juist onrustig van word. Daarnaast is hij zeer bedreven in het bouwen van een structuur en het componeren van sterke melodieën die snel blijven hangen. O’Hearn laat zich ook hier soms ondersteunen door makkers uit zijn Zappaverleden zoals Terry Bozzio en Warren Cuccurullo maar de meeste taken vervult hij zelf.
Trust’ bestaat uit acht delen die handelen over de ontdekking in 1991 van de ‘Cousquer Cave’ in Frankrijk, waarin kunstuitingen op de wanden zijn gevonden die teruggaan tot 12000 jaar voor Christus. De hoes geeft daarvan een mysterieus voorbeeld dat mij enige angst inboezemt. Welbeschouwd bevatten deze acht tracks geen zwakke momenten. Wel uitschieters zoals het schitterende ‘Liberty’ dat de schijf opent en dat mij enigszins door het ritme en de gitaar doet denken aan, en dat is een behoorlijke zijstap, The Cure ten tijde van ‘Seventeen Seconds’. Het thema is zinderend en de opvallende geluiden en echo’s zijn, zo stel ik mij voor, een metafoor voor de letterlijke en figuurlijke echo’s die te horen zullen zijn in de gewelven van genoemde Franse grot. Ook hier is zoals op ’Indigo’ uit 1991 de ondersteunende bas van O’Hearn - tenslotte zijn ‘roots’ - imponerend. Een tweede climax wordt gevormd door ‘Two Continents’ dat mij door zijn melancholische thema kippenvel bezorgd en waar Bozzio schittert op zijn ‘Turkish drums’. Het wat vrolijker ‘Equinox’ met briljant geweven tapijten van synths wordt gevolgd door een ander hoogtepunt, het titelnummer. Percussie vormt de basis waarover de synthesizers hun weg zoeken, wederom gestuurd door een pakkend thema. En dat geldt ook voor de twee laatste tracks ‘3 Circles’ en ‘Last Farewell’.
Patrick O’Hearn zie ik als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de hedendaagse elektronische muziek. ‘Trust’ vind ik samen met ‘Indigo’ apotheoses van zijn oeuvre. Voor zover ik dat in mijn bezit heb. De bakken van ‘De Plaatboef’ worden dan ook gedegen in de gaten gehouden ……
JoJo (12-2005)

Bezetting:
Patrick O'Hearn- electronics, bass, percussion, textural guitar
Warren Cuccurullo - guitar
David Torn - textural guitar
Peter Maunu- textural guitar
Terry Bozzio - turkish drums

Discografie:
Ancient Dreams (1985)

Between Two Worlds (1987)
Rivers Gonna Rise (1988)
Eldorado (1989)
Mix Up (1990)
Indigo (1991)
The Private Music of Patrick O'Hearn (1992)
White Sands (1992, filmmuziek)
Crying Freeman (1996, filmmuziek)
Trust (1995)
Metaphor (1996)
A Windham Hill Retrospective (1997)
So Flows The Current (2001)
Beautiful World (2003)
Slow Time (2005)

Reviews O

Ozark Henry - I’m Seeking
Something that has Already
Found Me (1996)

Label: Double T Music
Bandsite: www.ozarkhenry.com
Duur: 55:00

Recensent: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)


Ik heb de afgelopen maanden zeer genoten van de ‘conservative rock’ van IQ op ‘Dark Matter’ of van The Watch op ‘Vacuum’. Ik noem dat bewust geen progressieve rock maar conservatieve rock omdat het herhaalt wat er al was: òf in de eigen catalogus van genoemde bands en/òf in wat anderen hebben gedaan in ‘de gouden eeuw’ van de symfonische rock. Het etiket ‘progressief’ kan toch nauwelijks op ‘terugkijken’ van toepassing zijn. ‘Reactionair’ zou beter zijn maar dat klinkt zo agressief. Ook experiment vinden we bij dat soort bands niet terug. Absoluut niet erg. Integendeel. Hoge waarderingen vallen hen, ook van mij, terecht ten deel. Daarom is het echter wel toe te juichen als andere artiesten en bands in het progressieve genre daar wèl experiment, fusion met andere muziekstromingen en de durf om buiten de gebaande paden te treden tegenover zetten. De Belg Piet Goddaer, beter bekend als ‘Ozark Henry’, is daar een lichtend voorbeeld van. Zijn album ‘I’m Seeking Something that has Already Found Me’ uit 1996 fungeert als inventief baken in de progressieve zee.
Via opener ‘Rosamund is Dead’ treed ik binnen in de geheel eigen wereld van Ozark Henry waar voorspelbaarheid niet te vinden is en waar ‘sidesteps’ naar ‘rap’, klassieke muziek, jazz, blues en symfo overal aan de orde zijn. De avontuurlijke, gelaagde arrangementen en de brede instrumentatie en moderne ritmes, gekoppeld aan zijn bijzondere stem, maken dit album tot een ontdekkingsreis. Een reis waarvan ik vermoed dat hij jaren zal duren: zelfs na lange tijd ontdek je doorgaans in dit soort werken nog nieuwe dingen. Deze ‘melting pot’ leidt wat mij betreft tot een geheel eigen geluid, al zijn er echo’s te horen van World Party, No-Man en David Bowie. In de articulatie en het klemtoongebruik in de gezongen en gedeclameerde teksten van Ozark Henry klinkt Frank Zappa zo af en toe door. Maar eigenheid voert per saldo de boventoon.
De opbouw en chronologie in de tracklist is sterk, al zou ik wat meer up-tempo geëindigd zijn dan met ‘In Camera. Bovendien zijn er uitsluitend hoogtepunten op dit album te vinden. Zo is ‘Rosamund is Dead’ een wervelende opener, vinden we mystiek in ‘Dogs and Dogmen’, is ‘Man on Roof’ het toonbeeld van vernuft en vormen ‘Hope is a Dope’ en ‘I Ray’ tot nadenken stemmende rustpunten. ‘Autumn Illustrates This’ is een somber nummer. Wat te denken van de tekst “I am sitting in a tree. My neck is rope protected. A fall can only please”. Somberheid die ook op andere momenten naar voren komt zoals in afsluiter ‘In Camera’. Een compositorische schoonheid die mij de rillingen bezorgt. Heerlijk.
De ultieme prog van Ozark Henry smaakt naar meer en noopt tot het ontdekken van de rest van ’s mans palmares. Met dit album prikkelt hij in ieder geval al mijn zintuigen. In een interview zei David Bowie dat hij Ozark Henry één van de meest interessante en gedurfde artiesten van dit moment vindt. Daar kan ik volmondig mee instemmen.
JoJo (02-2005)

Bezetting:
Piet Goddaer/Ozark Henry - voices, vocals, keyboards, organ, rhodes, programming, drumtapes, bass and lead guitar
Filip Tanghe - acoustic drums, guitars, guitar sound programming

Discografie:
I’m Seeking Something That Has Already Found Me (1996)
This Last Warm Solitude (1998)
This Last Warm Solitude - Live in Paris (1999)
Birthmarks (2001)
Sedes & Belli - The Music (2002)
The Sailor Not The Sea (2004)

The Soft Machine (2006)

Reviews O

Ozric Tentacles - Spirals in Hyperspace (2004)

Label: Magna Carta
Bandsite:
Ozric Tentacles
Duur: 69:39
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

"Als je er één hebt dan heb je ze allemaal", zei ik ooit tegen iemand over de werken van Ozric Tentacles. Dit om de gelijkenissen tussen de overigens doorgaans prima albums van deze spacerockband te benadrukken. Uitwisselbaarheid dus, welke mij er overigens nooit van weerhield om wederom een Ozric-item aan te schaffen. 'Spirals in Hyperspace' kenmerkt zich echter door originaliteit en wijkt derhalve op een aantal fronten af van wat we van deze psychedelica's kennen. Natuurlijk komen ook hier de voor deze band herkenbare dansbare ritmes en de door Gong geïnspireerde sequences op synth en gitaar regelmatig voorbij. En de atmosfeer waarin deze schijf zich bevindt is nog steeds doortrokken van de dampen van waterpijpen en hasj, met op de achtergrond het beeld van pulserende vloeistofdia's op alcoholbasis. Maar er zijn ook duidelijke verschillen. Zo valt in een aantal tracks de jazzy-invloed op en zijn er meer dan voorheen symfonische arrangementen te onderscheiden. Bovendien kent 'Spirals in Hyperspace' meer rustpunten en daarmee een evenwichtiger opbouw dan vorige albums. Ten slotte valt op dat de meeste tracks en instrumenten worden bespeeld door Ed Wynne en dat de overige Tentacles slechts sporadisch meedoen. Wellicht ook een verklaring voor de genoemde significante verschillen.
'Spirals in Hyperspace' begint nog traditioneel met 'Chewier', waarin eens te meer opvalt wat een unieke gitarist Wynne is. De bijna tien minuten durende titelsong is jazzy, met name door de elektrische piano, en is een track om op weg te dromen. De kruisbestuiving die hier plaatsvindt tussen jazzgeoriënteerde akkoorden en de psychedelische sfeer levert een origineel geluid op. Een soort space jazzrock. 'Slinky' is één van mijn favorieten. Een knappe, licht verlopende sequence biedt de luisteraar acht minuten lang doorkijkjes in diverse muziekstromingen. Waarbij wederom de jazzrock de boventoon voert en waarin Wynne absurde en weirde geluiden uit zijn synths weet te toveren. Je vraagt je af waar hij die unieke geluiden iedere keer weer vandaan haalt. 'Toka Tola' start met wervelende toetsen à la ELP maar ontwikkelt zich daarna tot een typisch Ozricnummer waarin wederom duidelijk wordt dat zij hun inspiratie halen uit het werk van de oudgediende spacerockers Gong. 'Plasmoid' is een mindere track. Het is wat rommelig o.a. door sequences die steeds wisselen in snelheid. De vreemde stemmetjes zijn aardig gevonden maar irriteren al snel.
Een prachttrack is 'Oakum' dat gedompeld is in een ambientbad en daardoor heerlijk rustig en laid back opent. De open, heldere productie geeft hier bovendien een extra dimensie. Na een wervelend middengedeelte eindigt men weer in relatieve rust. In het rustig kabbelende 'Akasha' wordt inspirators Steve Hillage en Miquette Giraudi een rol gegund op gitaar en synths. Het album sluit af met twee prima stukken. 'Psychic Chasm' is weliswaar herkenbaar maar compositorisch knap. 'Zoemetra' herbergt zowel Spaanse als Oosterse invloeden, roept bij mij soms associaties op met Al Dimeola en heeft een thema dat nadien door het hoofd blijft spoken.
Ed Wynne heeft weliswaar geen revolutionaire omwenteling teweeggebracht, maar de Ozric Tentacles klinken op 'Spirals in Hyperspace' anders en frisser door invloeden vanuit de jazz en in mindere mate de symfonische rock toe te laten. Gecombineerd met hun nog altijd aanwezige spacebasis, levert dit een lekker album op dat er mag zijn.
JoJo (6-2004)

Bezetting:
Ed Wynne - guitar, keyboards, mind colours and programming
Op drie tracks:
Schoo - drums
Seaweed – synths and bubbles
John - ney, blul, duduk and silver flute
Zia - bass
Merv Pepler - drum programming and sampling stuff

Discografie

(Selectie):
Erpsongs (1985)
Sliding Gliding World (1988)
Pungent Effulgent (1989)
Erpland (1990)
Strangeitude (1991)
Afterswish (1991)
Live Underslunky (1992)
Jurrasic Shift (1993)
Arborescence (1994)
Become the Other (1995)
Curious Corn (1997)
Spice Doubt (1998)
Waterfall Cities (1999)
The Hidden Step (2000)
Spirals in Hyperspace (2004)

The Floor's Too Far Away (2006)

Reviews N

Negative Zone – Negative Zone (2005)

Label: Musea
Bandsite:
negativezone.net
Duur: 45:45
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De afstammelingen van Pink Floyd vallen, sinds de ouders het zelf wat rustiger aan doen, als rijpe maar soms ook als rotte appels van de boom. RPWL, House of Not, Timothy Pure zijn daar ‘bekende’ voorbeelden van aan de goede kant van de streep. Daarnaast kennen we de Floydcovers, die wat mij betreft per definitie te onpas verschijnen, o.a. van Transatlantic en Shadow Gallery. Ten slotte is daar het schaamteloos citeren van Floyd dat door sommigen tot kunst met een hele kleine ‘k’ is verheven. Een zonde waar zelfs Dream Theater zich op haar laatste dwaling aan waagt. En dan meldt zich nu het Franse Negative Zone aan het rose front.
Deze jongelingen komen uit Marseille en steken hun bewondering voor Floyd niet onder stoelen of banken. Het geheel ademt in veel akkoorden, tonen en effecten de psychedelische sfeer van Floyd uit maar zeker ook van andere bands uit de sixties en seventies zoals The Beatles in haar geestverruimende Sgt. Pepperspray periode en zelfs The Zombies ten tijde van het progressieve meesterwerk ‘Odyssey & Oracle’. Dit laatste hoor ik met name in de tracks ‘Cats’, ‘Farewell’, ‘Fly Away’ en ‘Island’. Een en ander gevoegd naast de eigenheid van Negative Zone, die vooral tot uiting komt in de smaakvolle arrangementen en in de vocale harmonieën met een licht maar niet hinderlijk Frans accent, maakt dit album goed te pruimen. Ondanks dat: het is wel wat veel Floyd.
‘Don’t Sleep Part 1’ en ‘Part 2’ zijn uitgesponnen tracks waarop het aangenaam wegdromen is en waar in het wat steviger deel ook het latere King Crimson doorklinkt. Al vraag ik mij ook hier af waarom je een geluidseffect naadloos laat klinken als een effect dat door Floyd al eens bedacht is en dat iedere zichzelf respecterende progliefhebber zo’n beetje kan dromen. Daar moet toch op eigen creativiteit meer of iets anders uit te halen zijn. Nu wekt het bij mij irritatie op. Een gevoel dat mij ook bekruipt in ‘Hold Out Your Hand’. Lekker sloom nummer inclusief door Nick Mason geïnspireerd drumwerk maar met meer durf had het een onsje of twee minder Floyd kunnen zijn. En dat gevoel zet zich door in de afsluitende nummers ‘Fairy Tales’ en ‘Negative Zone’. Waarmee het album overigens wat abrupt en niet gelukkig eindigt. Het is voor mij niet ‘rond’ en daar hou ik van: van een kop, een romp en een staart. Als men dàt nou eens had overgenomen van Floyd want die waren daar erg goed in.
Negative Zone is geenszins een rotte appel aan de Floydboom. Daarvoor zijn er voldoende andere invloeden te horen en heb ik mijzelf teveel vermaakt met dit debuut. Je voelt echter dat de band meer talent in haar mars heeft. Als men het in de toekomst aandurft om die eigen kwaliteiten meer ruimte te geven dan zal Floyd nog slechts op de achtergrond meespelen. De voorgrond zal dan bepaald worden door Negative Zone. Als men dat niet doet ben ik bang dat ook deze band snel in de vergetelheid zal raken. De voortekenen zijn overigens niet goed want platenlabel Musea grossiert al decennia in eendagsvliegen.
JoJo (11-2005)

Bezetting:
Cedric Cartaut - guitars, vocals
Bruno Ramousse - bass, vocals, flute
Manuel Santiago - guitars, keyboards
Fabrice Dimondo - drums

Discografie:
Negative Zone (2005)

Reviews N

New Niks - Penquin Village (2006)

Label: No Can Do Music
Bandsite:
arendniks
Duur: 45:34
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

In al die jaren dat ik drummer en componist Arend Niks ken is hij doende met muziek. Op de middelbare school was al merkbaar dat hij muziek minstens zo belangrijk vond als de Stelling van Pythagoras. Speelde hij in die tijd - zoals te doen gebruikelijk bij jonge, beginnende muzikanten - in relatief onbekende bands in Schiedam en omgeving, na die tijd is zijn ster snel gerezen. Zo maakte hij vijfmaal zijn opwachting tijdens het North Sea Jazz Festival, drumde hij bij het geweldige Nenette et les Zezettes, werkte samen met muzikanten uit het Willem Breuker Kollektief, schreef en/of speelde hij voor Orkater, voor dansproducties van Scapino waaraan ook John Cale meewerkte en voor uiteenlopende televisie-, theater- en cabaretprogramma’s. Bovendien had hij diverse formaties waarmee hij inmiddels vier albums maakte. New Niks is zijn nieuwste project. ‘Penquin Village’ zijn vijfde album.
Als ik Niks hoor drummen verschijnt Bill Bruford op het net- en trommelvlies. Niet alleen de ‘touch’ van Niks maar ook de karakteristieke klank van zijn instrument - hard, hoekig, hoog - zijn voor die associatie verantwoordelijk. Toch doet hij mij ook aan Terry Bozzio denken door zijn vermogen om de percussie niet alleen begeleidend te gebruiken maar ook melodie te laten slaan. De muziek van New Niks op ‘Penquin Village’ is Zappaiaans door de complexiteit van de composities die met name tot uiting komt in rare maatvariaties en curieuze soms zelfs hilarische ‘breaks’. Maar ik hoor ook echo’s van Soft Machine en in de kortere tracks de cult-filmmuziek van John Zorn. En ook voor folk en ‘hot club’ draait men de hand niet om. Edoch, per saldo is het jazz(rock).
New Niks bestaat naast Niks uit een puik stel muzikanten. De viool van Jasper le Clercq gaat soms in positieve zin door merg en been maar weet ook subtiel en vaardig het sentiment te raken. Suntrop is op sologitaar weliswaar gedoseerd aanwezig - dat had wat mij betreft wat meer gemogen - maar tezamen met zijn smaakvolle, begeleidende werk wordt meer dan duidelijk dat we te maken hebben met een virtuoos. De elektrische piano van Hoorweg valt uit de composities niet weg te denken, is duidelijk beïnvloed door Herbie Hancock en Joe Zawinul en heeft veel ‘Canterbury’. Al vraag ik mij bij dat laatste af of jazzmusici dan direct weten wat ik bedoel.
Het album opent met het prachtige ‘Penquin Village’ met een Zorn-achtig sfeertje. De track is nogal ‘laid back’ en dat vind ik wat minder gelukkig om een album mee te openen. Op de compositie zelf is niets aan te merken. Wat volgt is over de gehele linie hoogstaand. ‘Earcatchers’ zijn het fenomenale ‘Stonehopping’ door zijn ingehouden swing, variatie en mooie pianosolo, het dromerige ‘Peinzen (Ruminating)’, ‘Hunger Sunday’ vanwege de sterke 'bas', het aanstekelijke ritme en de bijzondere opbouw, het licht experimentele ‘In Love on Planet Z*hogg/’ en afsluiter ‘Atlantis Mailman’ waarin men langs de rek van het elastiek van harde naar zachte passages en weer terug schiet. New Niks heeft met ‘Penquin Village’ een smaakvol en technisch hoogstaand jazz(rock) album afgeleverd dat eigenzinnig, eigenwijs, creatief en dus progressief is. Ik ken op dit moment geen band in Nederland die dat op deze intrigerende wijze doet.
JoJo (06-2006)

Bezetting:
Andreas Suntrop - electric guitar
Arend Niks - drums
Erwin Hoorweg - electric piano
Jasper le Clercq - violin

Discografie:
Niks at Hand (1993)
Future Museum (met Niks Project) (1998)
Tommorow’s Paper (met No Can Do) (2000)
Drummers Double Bill (2003)
Penquin Village (met New Niks) (2006)

Reviews N

Niacin - Time Crunch (2001)

Label: Magna Carta
Bandsite:
www.ni
acinb3.com
Duur: 56:10
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De eerste tour van Niacin in 1997 heette 'Blood, Sweat and Beers'. En dat lijkt mij een omschrijving die prima past bij de muziek, sound en sfeer van deze Amerikaanse band. Luisterend naar de door de Hammond B3 gedomineerde wervelwinden op deze schijf, zie ik rokerige zalen voor me waar zwaar zwetende fans heftig dansen op de aanstekelijke ritmes van Niacin. Een biertje mag daarbij niet ontbreken. Stilzitten is er dan ook niet bij tijdens de beluistering van Time Crunch. De ondertitel van dit werkstuk is immers niet voor niets 'Kick Ass Time', refererend aan het toonwiel van het Hammond Organ maar uiteraard ook aan het verzoek het zitvlak te verheffen. Sheehan, Novello en Chambers omschrijven hun muziek als een fusion van rock, jazz, prog, funk, soul en een snufje Motown. En die invloeden komen inderdaad in dansparade voorbij, waarbij ik zelf toch met name associaties hoor met Emerson, Lake and Palmer, The Nice, King Crimson en ook Brian Auger.
Time Crunch opent overweldigend met 'Elbow Grease' gevolgd door het titelnummer. Twee compositorisch sterke tracks waar Novello op een virtuoze wijze op zijn B3 soleert over de stevige funkritmes. Het basspel van Sheehan - die wij ook kennen van zijn project Nine Short Films met Terry Bozzio - is adembenemend. Zelden zulke snelle basloopjes gehoord. In 'Stone Face' neemt men enigszins gas terug al is de snelheidsvermindering maar relatief en waan ik mij iedere keer weer op 'Tarkus' van ELP. Een prachtig rustig intermezzo met synths en een rommelende bass vormen een kortstondige cesuur in deze track waarna men weer terugkeert naar het oorspronkelijke thema.

Ik heb een aversie tegen covers. Het voegt doorgaans weinig toe aan het origineel en dan luister ik liever daar naar. En als het wel iets toevoegt zie ik dat al snel als een verkrachting van de oorsprong. Het is ook nooit goed. Ook Niacin bezondigt zich op deze schijf aan een cover te weten 'Red' van King Crimson uit 1974. Toegegeven de heren weten er wel weg mee. Het staat als een huis en gelukkig laat men het origineel in tact maar het voegt inderdaad niets toe. Maar ik gun ze een speeltje. 'Invisible King' is een nummer dat niet zou misstaan op een album van Brian Auger met het in aanvang laid back orgelspel en een mooie jazzy pianopartij. Het vormt daardoor een welkom rustpunt op dit soms wat vermoeiende werkstuk. Het vervolg bestaat o.a. uit het funky 'Daddy Long Leg' waarin gitaar lijkt op te doemen maar waar nauwkeurige beluistering tot de conclusie leidt dat hier sprake is van een toetspartij. De techniek staat voor niets. Ondanks een tweede rustpunt via de easy listening van 'Glow' wervelt de CD naar het einde.
En daar ligt voor mij het kritiekpunt: het is vermoeiend om deze CD van begin tot einde te beluisteren - ondanks de door mij toegejuichte lengte van minder dan een uur - en het gaat op een gegeven moment wat op elkaar lijken. Het spelplezier van de heren, hun virtuositeit, de grandioze ritmetandem en natuurlijk het ongeëvenaarde geluid van de Hammond maken dit ten dele goed. Daardoor toch echter wat OJE-punten aftrek. Mocht echter de vraag bij u opkomen of dansen op prog mogelijk is: het antwoord is 'ja', probeert u het maar eens uit op een feestje met deze Time Crunch. It is Kick Ass Time !!
JoJo (2003)

Bezetting:

Billy Sheehan - bass
John Novello - hammond B3, piano, synths
Dennis Chambers - drums

Albums:
Niacin (1996)
Live (1997)
High Bias (1998)
Deep (2000)
Time Crunch (2001)
Organik (2005)

Reviews N

Nice Beaver - Oregon (2004)

Label: Cyclops
Bandsite:
nicebeaver.nl
Duur: 66.30
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Voor mij ligt het in een vrolijke hoes getooide album 'Oregon' van de uit Papendrecht afkomstige band Nice Beaver. Volgens de bandsite refereert de naam 'Nice Beaver' aan een grap uit de film 'Naked Gun'. Een grap die duidelijk maakt dat situaties en gedrag van mensen soms anders in elkaar blijken te steken dan dat je hebt waargenomen maar dat in andere gevallen 'what you see is what you get' opgaat. Een constatering die mij vakmatig zeer aanspreekt. En een conclusie die ook geldt voor de doorgaans stevige progressieve rock die deze band laat horen. De muziek klinkt op het eerste gehoor relatief simpel, terwijl er op het tweede en derde gehoor allerlei verrassingen uit de kamers van het beverhol tevoorschijn komen.
Nice Beaver bezit de melodie en melancholie van Camel - met name door het aan Latimer verwante, excellente gitaarspel van Hans Gerritse - en de hoekigheid en onvoorspelbaarheid van Echolyn. Twee uitersten die in de zeer sterke opener 'Nights In Armour' vertegenwoordigd zijn. Twaalf minuten genieten van een perfect opgebouwde track waarin de band ondanks of misschien wel dankzij de vele wendingen en breaks een heerlijk progressief geheel weet neer te zetten. 'Earcatchers' zijn de Camelesque gitaarsolo, de geweldige jazzy electrische pianosolo en mooie synths van Erik Groeneweg maar helaas ook de wat dunne en met veel 'neusklank' doordrenkte zang van Gerritse. Het met krekels en Chinese klanken startende 'Morphine' is stevig en opzwepend met prima basspel van Peter Stel als basis en associeert vaak met Echolyn, een andere favoriet van mij. Ook hier vind ik de zang, in dit geval van Groeneweg meen ik, niet altijd even gelukkig. 'Any Other Day' vormt een relatief rustpunt en bezit een pakkend refrein dat snel in het hoofd blijft hangen. Ook hier laat Gerritse horen een prima gitarist te zijn.
De titeltrack bezit van die heerlijke dreigende synthesizers en hoekige ritmes en wordt gevolgd door het instrumentale 'The Beaver State'. Een 'laid back' track waarop heerlijk wegdromen op de gitaarklanken onvermijdelijk is. Het tien minuten durende 'Two Brides for Two Brothers' steekt prima in elkaar en de band sleurt mij mee van rustige passages, naar complexe elementen en weer terug. En dat geldt eveneens voor het afsluitende 'Lawn Mower's Day Off' - geweldige titel - waarin men alle progressieve registers opentrekt. Al geldt voor deze beide tracks helaas weer wat puntenaftrek voor de zang. Daar moet men echt aan gaan werken.
Nice Beaver verrast mij met 'Oregon'. Het is een band die muzikaal-technisch van hoog niveau is, compositorisch veel in haar mars heeft en van begin tot einde weet te boeien. Bevers zijn trouw en hebben de gewoonte lang op één plek te blijven wonen, generaties lang. Ik hoop dat Nice Beaver deze gewoonte overneemt en mij ook in de toekomst blijft verrassen met nieuw werk van hetzelfde hoge niveau.
JoJo (03-2005)

Bezetting:
Hans Gerritse - guitars, lead vocals, vocals
Ferry Zonneveld - drums, vocals
Peter Stel - bass guitars, vocals
Erik Groeneweg - lead vocals, keyboards

Discografie:
Nice Beaver (demo, 1999)
On Dry Land (2001)
Oregon (2004)

Reviews N

Nightingale - The Closing Chronicles (1996)

Label: Black Mark Productions
Bandsite:
blackmark.net
Duur: 42:33
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Dan Swanö is de man achter Nightingale en inmiddels een bekende naam in de progmetalscene. Niet alleen door zijn betrokkenheid bij bands als Edge Of Sanity, Godsend en Bloodbath maar ook door zijn gastoptredens bij o.a. Ayreon en Within Temptation. Nightingale betreft zijn meest symfonische bezigheid en bestaat naast Swanö uit Tom Nouga die de bass, lead guitars en produktie voor zijn rekening neemt. Op dit album laat dit duo een behoorlijk eigen geluid horen dat ik niet zo snel kan vergelijken met andere bands in dit genre. En dat komt niet in de laatste plaats door het unieke, donkere en intrigerende stemgeluid van Swanö dat weliswaar weinig variatie kent maar steeds blijft boeien.
De in een open en heldere produktie gestoken tracks blijven snel hangen en nodigen uit tot vooral hard en uitbundig meezingen. Maar het zijn niet alleen de refreinen die kwaliteit hebben maar ook de muzikaal-technische uitvoering mag er zijn. Met uitzondering van de recht-toe-recht-aan rock in 'Steal the Moon', heb ik geen zwak nummer kunnen ontdekken. 'The Closing Chronicles' opent overweldigend en stevig met 'Deep Inside of Nowhere'. Men vervolgt met het wonderschone 'Revival' en met 'Thoughts from a Stolen Soul', twee nummers waarin een prima synergie plaatsvindt tussen metal en symfo. Via de prachtige ballad 'So Long (Still I Wonder)' - waarin wat voorzichtige referenties aan Gary Moore - en een letterlijk en figuurlijk 'Intermezzo' komen we terecht bij het in drie parts opgedeelde 'Alive Again'. In deze track worden wederom symfo, metal en zelfs wat folk in de Swano-mixer gegooid en springt part two 'Shadowland Revisited' eruit. Wat een sound en het staat als een huis. Part three vormt een psychedelisch en Floyd-achtige afsluiting van een sterk nummer en een uitstekend album.

Zijn er dan geen minpuntjes? Nightingale lijkt wat moeite te hebben met het vinden van een acceptabele eindbreak en misschien zegt dat wel iets over de integrale kwaliteit van de songstructuur. Een perfecte compositie kent immers een goede kop, romp en staart. Misschien hadden ze beter kunnen kiezen voor het wegfaden van de nummers, hoewel dat ook niet altijd goed uitpakt. Maar per saldo mag dat de pret niet drukken. Liefhebbers van progressive rock met een metalrandje kunnen 'The Closing Chronicles' blind aanschaffen. Succes verzekerd!
JoJo (2003)


Bezetting:
Dan Swanö - all vocals, keyboards, guitar, drums
Tom Nouga - bass, aditional rhythm guitar, lead guitar

Discografie:
The Breathing Shadow (1995)
The Closing Chronicles (The Breating Shadow Part II) (1996)
"I" (2000)
Alive Again (2003)

Reviews N

Nosound – Sol29 (2005)

Label: Nosound
Bandsite: www.nosound.net
Duur: 64:14
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De Romeinse multi-intrumentalist Giancarlo Erra steekt zijn voorkeur voor Porcupine Tree en Tim Bowness’ No-Man niet onder stoelen of banken. Op de hoes van de autonome productie ‘Sol29’ is zelfs een ‘liefdesverklaring’ aan hun adres te lezen. Zijn goed verzorgde en overzichtelijke site toont mondelinge loftuitingen van Wilson en Bowness aan de eenmansband Nosound. Luisterend naar ‘Sol29’ ligt de vergelijking met beide bands voor het oprapen met een balans die door de atmosferische en landerige instrumentatie en transparante productie doorslaat naar No-Man.
Ik moet eerlijk zeggen dat ik na de eerste luistersessies niet direct juichend in de tuin stond om mijn buren kond te doen van een geweldige aankoop. Ondanks een geluid dat door zijn helderheid de huiskamer inknalt en een niet te definiëren voorgevoel met Nosound misschien toch iets bijzonders in de hand te hebben. De reden voor mijn aanvankelijke twijfel lag in de vraag “Waarom een Nosound als er al een No-Man bestaat?” Na verloop van tijd is de twijfel grotendeels verdwenen. En dat komt doordat ‘Sol29’ een prachtige sfeer heeft met zijn weldadige instrumentatie, warme keys, zinderende ‘soundscapes’ en zijn beeldende huisje-boompje-beestje teksten. Zelfs de Italiaanse tongval, hoewel dat maar bij enkele Engelse woorden en dicties opvalt, kan ik Erra daardoor vergeven. Al vind ik dat hij daar wel aan moet werken.
Het album opent sterk en schatplichtig aan Wilson met ‘In The White Air’. Gegrondvest op een dominant ritme worden de keys geïntroduceerd waarin de mooie repeterende pianoakkoorden snel blijven hangen. De gitaarsolo op driekwart is echter te schel, iets te lang en erg overstuurd. Erra heeft een goed ontwikkeld gevoel voor het neerzetten van een door toetsen gespeelde akkoordenreeks en die te gebruiken als thema. Zo begint namelijk ook het intrigerende en ietwat mystieke ‘Wearing Lies On Your Lips’. Dat themaatje blijft maar doorzingen in het hoofd en dat vind ik altijd een te benijden compositorische kwaliteit. De drie instrumentale tracks ‘The Child’s Game’, ‘Waves of Time’ en het titelnummer vertrekken vanuit een Brian Eno achtige ambiance die langzamerhand wordt ingericht met drums, gitaar, allerlei ‘digitaliteiten’ en een doorgaans goede melodielijn. Een uitschieter is ‘The Moment She Knew’. De begeleidende foto van dat meisje met rugzak, eenzaam turend over een nachtelijke jachthaven, is in combinatie met de titel van de track zeer associatief. De track zelf is eveneens wonderschoon en kent sterke gitaarpartijen met Wilson- en Gilmourkenmerken. Per saldo gelden deze pluspunten ook voor het met akoestische gitaar beginnende en met digitale mellotron gevulde ‘Overloaded’, het melancholische ‘The Broken Parts’, het bezwerende ‘Idle End’ en het toch niet zo optimistische met slide guitar gespeelde ‘Hope For The Future’.
‘Sol29’ is een prima album van een uitstekende artiest met smaakvolle, atmosferische en soms heerlijk zwaarmoedige muziek. Ik schreef hierboven “de twijfel is grotendeels verdwenen”. Dus nog niet helemaal. Maar als Giancarlo Erra zich verder ontwikkeld en meer eigenheid weet te brengen in Nosound, zal het laatste restje twijfel als sneeuw voor de zon verdwijnen.
JoJo (06-2006)


Bezetting:
Giancarlo Erra – all guitars, all keyboards, all vocals
Alessandro Luci – some bass on some tracks

Discografie:
Radici (1998)
Maslova (EP, 2001)
Waves on Russia (2002)
Sol29 (2005)
The World is Outside (Live DVD, 2006)

Reviews M

Manfred Mann's Earth Band -
Solar Fire (1973)

Label: Petbrook Music
Bandsite:
Manfredmann.co.uk
Duur: 43:39 (incl. 2 bonustracks)
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Manfred Mann kan inmiddels worden gezien als een icoon in de muziek. Niet alleen door zijn lange carrière en leeftijd - hij is inmiddels 63 - maar ook door zijn durf om nieuwe wegen in te slaan. Want verschillende wegen heeft hij bewandeld: van het jaren 60 pad met de hitgevoelige popmuziek, een korte omloop via de jazz rock tot de lange afstandswandeling in de progressive rock. Ook als persoon wordt deze geboren Zuid-Afrikaan vaak omschreven als 'gespleten'. Op de hoestekst van een single uit 1966 die ik nu in mijn handen heb, getiteld 'Manfred Mann played by Rob Hoeke R&B Group', staat bijvoorbeeld 'Als mens is hij een interessant geval (…), bijna een gespleten persoonlijkheid. Buiten het toneel heeft Mann een zakelijkheid die respect afdwingt. Op het toneel kromt hij zich over zijn hammond orgel, rolt met zijn ogen als een bezeten wetenschapsman die liederlijk de laatste uren van de mensheid uitspeelt'. Kortom, de rationele linker- en de emotionele rechterhersenhelft van Mann zijn beide goed ontwikkeld.
Ik weet nog goed dat ik als jongen van negen in 1967 zijn single 'Ha Ha Said the Clown' kocht. Hij ligt hier voor mij. De muziek die Mann toen maakte kan ik nauwelijks, tezamen met zijn andere 60'er jaren hits zoals 'Sha-La-La', 'De Wah Diddy Diddy' en 'Pretty Flamingo', progressive rock noemen. De bekering tot deze muziekstroming werd ingezet met de vorming van zijn Manfred Mann's Earth Band en het gelijknamige album in 1972. Deze band vond zijn definitieve progressieve draai met het voorliggende werk 'Solar Fire'. Het prima verzorgde boekje van de remaster meldt hierover dat Mann en zanger, gitarist Mick Rogers ten tijde van de opnames geïnspireerd werden door Pink Floyd, welke invloed niet alleen hoorbaar is maar zelfs werd doorgetrokken in theatrale effecten tijdens de vele live optredens.
Solar Fire begint overtuigend te branden met het bekende 'Father of Day, Father of Night' van Bob Dylan. Via een Floydiaans intro met de stemmen van Doreen en Irene Chanter - ook al Floyd - en de mellotron van Mann, ontvouwt deze track de overbekende melodie. De ijzersterke stem van Rogers doet de rest. 'In the Beginning Darkness' is een up tempo nummer dat refereert aan Deep Purple. Het vermogen om niet te domineren als solist maar ook ondersteunend te zijn aan het groepsgeluid laat Mann hier goed horen met gedoseerde partijen op met name hammond orgel. De derde track 'Pluto the Dog' lijkt op het eerste gehoor een instrumentaal niemendalletje maar zit echter doordacht in elkaar. Het strakke ritme wordt bepaald door drums, bas en ritmisch hondengeblaf waaroverheen Mann uitbundig soleert op synthesizer. Het titelnummer is een hoogtepunt in 's mans oeuvre en van dit album. Afwisselend sterke zang van Rogers en Chanter en virtuoos basspel van Colin Pattenden bouwen op naar een climax waarin de gitaar soleert en Mann volledig loos gaat op alle keys die hij heeft. De hoge tonen die hij uit zijn synth haalt lijken citaten te vormen uit 'Echoes' van Floyd. Een topnummer. En dat geldt eigenlijk ook voor 'Saturn, Lord of the Ring Mercury the Winged Messenger' waar blijkt dat Rogers niet alleen een dijk van een stem heeft maar ook zeer verdienstelijk gitaar speelt. Wat hier maar in feite op de gehele schijf opvalt, is het vermogen van de Earth Band om in de studio een live geluid neer te zetten. De directe productie van Mann waarin onnodige geluidstechnische opsmuk wordt vermeden, is hier mede de oorzaak van. Het originele album sluit af met 'Earth, the Circle Part 2 and Part 1', een ritmisch aanstekelijke track waar Mann à la Keith Emerson soleert en waarin ik zelfs een vleugje Jethro Tull ontwaar. Een waardig einde met wat experimentele passages.
De catalogus van Mann is inmiddels op een prima wijze geremasterd en gedocumenteerd en de aanschaf grotendeels waard. 'Grotendeels' want met zo'n hoge productie slipt er immers weleens een minder album tussendoor. Solar Fire is echter een uitstekend album van een oudgediende in de muziek die gelukkig nog steeds optreedt en componeert en die, getuige de recensies van recente concerten, zelfs de jongere garde aanspreekt. En dat is een compliment waard.
JoJo (2003)

Bezetting:
Manfred Mann - organ, synthesizer, vocals
Mick Rogers - lead vocals, guitars
Chris Slade - fibes drums
Colin Pattenden - bass guitar
Doreen and Irene Chanter - backing vocals

Discografie:
Hier zijn alleen de albums uit Mann's progressieve periode opgenomen, excl. 'best of' en 'live' albums :
Manfred Mann's Earth Band (1972)
Glorified Magnified (1972)
Messin' (1973)
Solar Fire (1973)
The Good Earth (1974)
Nightingales & Bombers (1975)
The Roaring Silence (1976)
Watch (1978)
Angel Station (1979)
Chance (1981)
Criminal Tango (1986)
Masque (1987)
Plains Music (1991)

Reviews M

Manning - The View from my Window (2003)

Label: Cyclops
Bandsite:
guymanning
Duur: 56:12

Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Via zijn vrienden en vriendin van Parallel or 90 Degrees (Po90D) leerde ik Guy Manning kennen. Zoals altijd het CD-boekje woord voor woord doorspittend, kwam ik Manning bij genoemde band als frequente gastspeler op keyboards tegen. Deze week schafte ik twee albums van hem aan: ‘Cascade’ uit 2001 en het hier besproken ‘The View from my Window’ uit 2003.

Manning maakt traditionele symfonische rock waarin folkelementen zijn verwerkt. Als liefhebber van dit overzeese eiland denk ik veel volkse aspecten uit de rijke muzikale en culturele historie van Groot-Britannië te herkennen. Zijn muziek biedt op die wijze, zeker op ‘Cascade’, welhaast een antropologische staalkaart. Als ik Manning zou moeten positioneren plaats ik hem tussen Roy Harper enerzijds en Van Der Graaf Generator anderzijds. Van beide namen zijn sporen te ontwaren in ’s mans muziek. Het geheel ruim gelardeerd met symfonische en progressieve details waardoor ook Po90D af en toe in de geluidskaart opduikt. Hoewel Manning geen topzanger is, draagt zijn weliswaar ongepolijste maar op een of andere wijze vertrouwde stem in grote mate bij aan de warmte die zijn albums uitstralen. Een warm bad, terwijl zijn magische maar doorgaans sombere teksten als koude straaltjes over de rug sijpelen.
‘The View from my Window’ opent dan wel niet sterk maar toch zeker aanvaardbaar met ‘Phase (The Open & The Widening Sky)’. Een track die wat gemakzuchtig overkomt, getuige het ‘poppy’ tot meezingen uitnodigende refrein en de recht-toe-recht-aan rockbasis. De climax waarin in afwisseling de gitaren van Gareth Harwood scheuren, de synths van Manning stromen en de saxen van Laura Fowler gieren maakt echter veel van het puntenverlies goed. Het titelnummer is een interessante compositie waarin veel gebeurt. Het dreigende intro, met tromgeroffel en ‘whistles’ uit een ver verleden, wordt gevolgd door een symfonisch deel met heerlijk orgelspel en akoestische gitaar. Ook dit refrein blijft snel hangen maar door de gelaagdheid valt er muzikaal (mellotrons!) en compositorisch veel meer te genieten dan in de openingstrack. ‘The Rut’ is lekker hoekig en ‘bluesy’ sloom, met Oosterse invloeden. Manning lijkt hier wat frustraties van zich af te zingen. Of kun je “And it’s always the same, the whole World over …” ook positief opvatten? ‘After the (tears in the) rain’ refereert aan Paul McCartney. Een op het eerste gehoor lieflijk thema, op een zetting van akoestische gitaren en prachtige cello-accenten.
Een vreemde eend in de bijt is het onbeduidende ‘Blue Girl’ met een - en dan druk ik mij voorzichtig uit - ‘geleend’ refrein. Dit minpunt vormt de overgang naar het absolute hoogtepunt van dit album: het twintig minuten durende ‘Suite: Dreams’. Het uit zes delen opgebouwde epos laat horen hoe spannend, afwisselend en magisch symfonische rock kan zijn. Ondersteund door Andy Tillison van Po90D laat de band zich van zijn allerbeste kant horen. Vooral in de instrumentale delen ‘A Visit to the Sandman’ en ‘REM’ laat Manning horen - alsof we dat nog niet wisten - tot wat hij in staat is op zijn keyboards. Een geweldige track, een imposante afsluiting.
Manning heeft mij danig verrast. Laat u ook verrassen en ga over tot aanschaf. Voor diegenen die niet van verrassingen houden en toch kennis willen maken met deze artiest, biedt Manning op zijn mooie en informatieve site de mogelijkheid om een compilatie-album te downloaden inclusief het bijbehorende art-work. Daarna loopt u zeker naar de winkel.
JoJo (08-2005)

Bezetting:
Guy Manning - vocals, keyboards, bass, mandolin, 6 & 12 string guitars, drums, percussion
Rick Ashton - bass
Gareth Harwood - electric guitars
Laura Fowles - saxophones, vocals

Discografie:
Tall Stories for Small Children (1999)
The Cure (2000)
Cascade (2001)
The Ragged Curtain (2002)
The View from my Window (2003)
A Matter of Life and Death (2004)
One Small Step (2005)
Anser's Tree (coming 2006)

Reviews M

Marillion - Marbles Live (2005)

Label: Racket Records
Bandsite: Marillion
Duur: 72:02
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Het lot
van een band waaruit ooit een hoofdrolspeler vertrok is dat er tot in lengte van dagen vergelijkingen worden gemaakt tussen het leven voor en het leven na de personele wijziging. Genesis had daar mee te maken en ook Marillion met het vertrek van Fish. Ook ik heb mij daar lang aan bezondigd. Het is echter inmiddels al lang geleden en alles slijt. Los daarvan heeft Marillion vanaf eind jaren tachtig wisselvallige kwaliteit afgeleverd. Albums als ‘Holidays in Eden' (1991), ‘This Strange Engine' (1997), en ‘Radiation' (1998) vind ik over het geheel genomen matig, terwijl ‘Brave' (1994) en ‘Anoraknophobia' (2002) beter scoren. Met het laatstgenoemde album heeft Marillion een wending ingezet naar moderner klinkende progrock, met de nadruk op ‘rock'. En de laatste studioinspanning
‘Marbles' bouwde dat verder uit.
Men heeft er voor gekozen om de DVD-concertregistratie ‘Marbles On The Road' uit 2004 nu ook op CD uit te geven als ‘Marbles Live'. En terecht want er zijn ook notoire niet-DVD-kopers zoals ondergetekende. Het live-album vormt een samenstel van de dubbelaar en de enkelaar ‘Marbles', aangevuld met de track ‘Estonia'. Er is echter ook sinds kort nog een 2CD livealbum verkrijgbaar met ten dele weer andere tracks, getiteld ‘Marbles By The Sea'. Kunt u het nog volgen? Ik in ieder geval op geen enkele wijze. Irritante trucs ingegeven door ‘slimme' marketeers die denken dat de koper debiel is. Of speelt hier het goedertieren karakter van de band om de echte fans tegemoet te komen een rol? Ook hier zal de waarheid zich ergens in het midden bewegen maar onduidelijk is het alleszins.
Het album opent met het thematisch sterke ‘The Invisible Man' dat echter, hier nog wat meer dan bij de studiouitvoering, rommelig blijft door de vele abrupte en geforceerde overgangen. Ik hou van afwisseling en onverwachte breaks maar het mag per saldo niet ten koste gaan van de totale structuur en dat doet het mijns inziens helaas wel. Overgangen die bovendien in technische zin niet overal vlekkeloos verlopen maar dat is ook wel weer de charme van een liveregistratie. Het thema en het refrein blijven mij echter vol raken. Ook live werden de intermezzi ‘Marbles I' tot en met ‘IV' gespeeld, al is ‘Marbles IV' door een masterfout op hetzelfde tracknummer als ‘The Damage' terechtgekomen. Tussen het ook live prima ‘Neverland' werden ‘You're Gone', ‘Angelina', ‘Don't Hurt Yourself', ‘Fantastic Place' en ‘The Damage' uitgevoerd. Zowel in de studio als op het podium aardige composities die heftig aanschuren tegen de ‘mainstream' van de rockmuziek. ‘The Damage' is recht-toe recht-aan rock 'n roll van een bedenkelijk allooi. In ‘Neverland' trekt de band gelukkig weer alle progregisters open en valt er direct weer meer te beleven. Er wordt prima gespeeld en het plezier druipt er vanaf. Hogarth heeft het niet altijd gemakkelijk. Zijn stem lijkt door het toeren wat aangetast en hij heeft her en der wat moeite om boven het geweld uit te komen. Alles overziende klinkt het allemaal echter voldoende tot goed. Het concert wordt afgesloten met ‘Estonia', een gedragen song met een mooie boodschap maar met een dertien-in-een-dozijn karakter. Overigens leidt het trage tempo van het nummer tot een anti-climax als afronding van een liveconcert.
Een goed initiatief om ‘Marbles' ook live uit te brengen tegen een schappelijke prijs. Het is een concert dat lekker wegdraait en toch kom ik niet tot een hoge notering. Hetgeen is terug te voeren op de overmaat aan gemakzuchtige en simpele ‘mainstream' rocknummers die niet thuishoren bij een progressieve rockband. En dat gevoel had ik ook al bij het studioalbum ‘Marbles'.
JoJo(11-2005)


Bezetting:
Steve Hogarth - vocals
Mark Kelly - keyboards
Ian Mosley - drums, percussion
Steve Rothery - guitars
Pete Trewavas - bass

Discografie:
Script For A Jester's Tear (1983)
Fugazi (1984)
Misplaced Childhood (1985)
Clutching At Straws (1987)
B' Sides Themselves (1988)
The Thieving Magpie - La Gazza Ladra (1988)
Seasons End (1989)
Holidays in Eden (1991)
Brave (1994)
Afraid of Sunlight (1995)
Made Again (1996)
This Strange Engine (1997)
Radiation (1998)
Tales from the Engine Room (1998)
Marillion.com (1999)
Marillion.co.uk (2000)
Anoraknophobia (2001)
Anorak in the UK Live (2002)
Marbles (2004)
Marbles Live (2005)

Reviews M

The Mars Volta - Frances the Mute (2005)

Label: Universal Records
Bandsite: www.themarsvolta.com
Duur: 76:57
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score aan JoJo's)

Ik viel van verbazing van mijn kruk nadat ik de eerste keer ‘Frances the Mute’ van The Mars Volta had beluisterd. Licht verbaasd was ik al over hun uitstekende voorganger ‘De-loused in the Comatorium’. Maar dit sloeg alles. Gehersenspoeld zocht ik de rust op om de confrontatie met dit ‘weirde’ album te verwerken. Het heeft enige tijd geduurd en ik moet toegeven dat ik nog steeds niet geheel hersteld ben. Waaruit bestaat deze hersenspoeling? Oprichter Omar Rodriquez Lopez houdt niet van het plakken van etiketten op muziek. Hij stelt “Prog? How can any innovative, forward-thinking art or music not be progressive?” Waarmee hij zelf - wellicht onbedoeld - een definitie van het etiket ‘prog’ geeft. ’Progressief’ in muzikale zin is voor mij: durf tonend, buiten de gebaande paden lopend en nieuwe wegen betredend, fusies makend met andere muziekstromingen, de blik op vooruit. Uiteraard zonder veronachtzaming van, met een retrospectief oog kijkend naar en soms ook gebruikmakend van wat er in het rijke muzikale verleden is gepresteerd. The Mars Volta maakt derhalve progressieve rock - sorry Omar, de lezer wil het kunnen plaatsen - omdat zij ultiem creatief en vernieuwend zijn en tegelijkertijd laten merken hun klassieken te kennen. King Crimson hoor ik in het Fripperiaanse gitaarspel van diezelfde Omar, in de complexiteit van de composities en in de ‘soundscapes’ tussendoor. Led Zeppelin in de manier van zingen van Cedric Bixler Zavala en in de drumstijl van Jon Theodore. En ten slotte snuifjes Faith No More omdat ook bij The Mars Volta niets is wat het in eerste instantie lijkt. En zelfs de geest van Miles Davis waart rond in de arrangementen voor de blazers. Maar boven alles staat het eigen en unieke geluid van de band.
’Frances the Mute’ lijkt mij een conceptalbum. Ook daar houdt de frontman van de band niet van: “how can any huge project that takes up most of your life for a year not have a concept?” Met deze quote erkent hij dus het bestaan van een concept. Het handelt dan ook over een dagboek dat ooit door het overleden bandlid Jeremy Ward werd gevonden en dat duidelijke overeenkomsten vertoonde met zijn eigen leven. Hij was namelijk ook op zoek naar zijn biologische ouders, gelijk de schrijver van het dagboek. De titeltracks van het album bevatten verwijzingen naar de mensen die Ward tegenkwam tijdens zijn zoektocht. Frances the Mute wordt opgevoerd als ‘verhalenverteller’ i.c. vertolker van het concept.

De teller van mijn CD-speler geeft twaalf tracks aan. Hoe ik echter ook de titels op de schitterende door Storm Thorgerson (voorheen Hypgnosis!) ontworpen hoes tel: ik kom nooit op twaalf. Wat zeker is, is dat het album opent met het uit vier delen bestaande ‘Cygnus …. Vismund Cygnus’. Direct al een hoogtepunt dat nog rustig begint met akoestische gitaar maar zich al snel ontwikkelt tot een sneltrein die slechts sporadisch via vreemde geluidsfragmenten een tussenstop maakt. Daarna ben ik qua tracknamen de draad volledig kwijt en weet ik letterlijk en figuurlijk niet meer waar ik mij op het album bevindt. En dat is per saldo een goede metafoor voor het hier gebodene. Warrige excellentie c.q. excellente warrigheid.
Ik begeef mij op glad ijs en bedrijf psychologie van de koude grond als ik stel dat je een beetje gek moet zijn of in ieder geval een prettige afwijking moet hebben om dit soort muziek te kunnen maken. Waarschijnlijk ben je nog gestoorder als je ‘Frances the Mute’ voortreffelijk vindt. “Wat doe je raar”, zei mijn vrouw. “Klopt, ik heb een ‘Mars Volta’ tot mij genomen”.
JoJo (04-2005)


Bezetting:
Omar a Rodriquez-Lopez - all guitars
Cedric Bixler Zavala - vocals
Jon Theodore - drums, percussion
Juan Alderte de la Peňa - bass
Isaiah Ikey Owens - keyboards
Marcel Rodriquez-Lopez - sequences, programming

Discografie:
Zie onderstaande review van The Mars Volta

Reviews M

The Mars Volta - Scabdates (2005)

Label: Universal Records
Bandsite: www.themarsvolta.com
Duur: 72:54
Recensent: H. ‘JoJo' de V.
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Het live-album ‘Scabdates’ van The Mars Volta doet mij op een of andere manier denken aan ‘Ummagumma’ van Pink Floyd. Met name door de psychedelische sfeer in de fragmenten die gedomineerd worden door vreemde geluiden, rommelende muzieknoten en stemmen. En door de ‘gekte’ die doorgaans in toom wordt gehouden door de onderliggende structuur van de tracks en het samenspel van de heren. Men houdt elkaar immers goed in de gaten. Dat gevoel had en heb ik bij ‘Ummagumma’ en andere vroege Floydalbums ook. De stem van Bixler-Zavala kan overigens alleen maar associaties oproepen met Robert Plant, al had Plant doorgaans live zijn stem meer en beter in bedwang.
De tracklist bestaat met name uit stukken van ‘De-loused in the Comatorium’. Wat ontbreekt zijn live-uitvoeringen van tracks van hun laatste album ‘Frances the Mute’. Simpelweg omdat dat album toen nog niet gemaakt was. Bij het ondergaan van ‘Scabdates’ borrelen voorts onderstaande emoties en gedachten in willekeurige volgorde bij mij op:

Verwondering @ Irritatie @ Manie @ Gefreak @ Depressie @ Hemels @ Knap @ Te hard @ Herrie @ Dissonant @ Gepriegel @ Fragmentarisch @ Geschreeuw @ Niet vol te houden @ Gestoord @ Creatief

En daar zou ik het deze keer bij willen laten. Nog één waarschuwing aan de leden van The Mars Volta: schiet in de toekomst bij het ‘freaken’ niet door. Houdt de rode draad in het vizier. U zit hier op het randje. Als u eroverheen kukelt ben ik u en bent u mij kwijt.
JoJo (02-2006)


Bezetting o.a:

Omar a Rodriquez-Lopez - all guitars
Cedric Bixler Zavala - vocals
Jon Theodore - drums, percussion
Juan Alderte de la Peňa - bass
Isaiah Ikey Owens - keyboards

Discografie:
Tremulant (EP, 2002)
De-loused in the Comatorium (2003)
The Mars Volta Live (2003)
Frances the Mute (2005)
Scabdates (2005)

Amputechture (2006)

Reviews M

Masque – Ten Ways (1994)

Label: Musea
Bandsite: http://hem.fyristorg.com/masque/
Duur: 53:22
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De inmiddels al weer vele jaren ter ziele Zweedse band Masque kende ik slechts bij naam en ik had de hoezen weleens voorbij zien komen als ik enigszins gestresst op een platenbeurs op zoek was naar mooie aankopen. Had ik het album ‘Ten Ways’ maar eerder uit de tombola die prog heet gevist, want het werkstuk is een aanwinst voor de verzameling.
Masque schijnt op dit tweede album een wat andere weg ingeslagen te zijn dan het pad dat men volgde op het mij nog onbekende debuut ‘The Flesh that Understands’. Wat minder symfonisch en wat meer songgericht. Dat laatste klopt zeker. Op ‘Ten Ways’ wordt op een verfrissende wijze gemusiceerd, zijn de composities puntig en blijven de refreinen snel hangen. Een wending naar populaire muziek zult u zeggen. Zeker, maar zonder veronachtzaming van elementen uit de progressieve rock: complexe intermezzi al duren ze kort, onverwachte breaks en de onvermijdelijke citaten van prog- en symfohelden uit het verleden. Zo borrelen Saga en de vroege King Crimson op maar ik associeer de muziek van Masque toch eerder met hun Scandinavische medebewoners en persoonlijke favorieten Landberk en iets mindere mate met Paatos. Zij het dan met een populair accent.
Het album opent sterk met ‘This Love’, al hield ik mijn hart vast bij eerste beluistering toen ik het koortje hoorde. Maar dat pakt per saldo goed uit. Zo ook in ‘Where Is God?’ – een herkenbare en universele vraag; ik denk het antwoord wel te weten – waarin het excellente gitaarspel van Johan Engström opvalt. Door de heldere en goede produktie lijkt Engström je kamer in te tuimelen. Zijn gitaargeluid klinkt ruimtelijk en hij beheerst stijlen die variëren van de complexiteit en gecontroleerde ruigheid van Robert Fripp tot het subtielere en laid back spel à la Mark Knopfler. Ook in het licht jazzy ‘Gentle Moves’ weet hij zich moeiteloos een weg te vinden. Zanger Jerker Relmark staat ook zijn mannetje, al kent zijn stem weinig variatie en ligt eentonigheid op de loer. Maar hij redt zich doorgaans uitstekend. Bovendien wordt hij goed ondersteund door gastzangeres Anna Leis. ‘You’ vind ik een hoogtepunt. Een relatief rustig nummer, een ballad zo u wilt, dat compositorisch sterk in elkaar zit. Op het eerste oor vrij simpel en rechtlijnig van structuur maar op het vierde en vijfde oor ontluiken er allerlei vertakkingen. Dat geldt ook voor de tracks ‘Ten Ways’, ‘Wrap It Up’ en ‘I’m Watching You’. Minpunt is ‘The Scent’. Op zichzelf beweegt deze track zich op hetzelfde kwaliteitsniveau, zeker muzikaal-technisch. Het reggae-intermezzo bezorgt mij echter lichte ergernis. Maar afgezet tegen de hoge kwaliteit van de andere 8 tracks, is het een kniesoor die daar om maalt.
Na 1995 is er jammergenoeg geen regulier album meer uitgekomen van Masque. En ook de website is sinds 2000 niet meer onderhouden. Wat zou er geworden zijn van deze uitstekende muzikanten? Teleurgesteld over het uitgebleven succes? Ik ga mij bijna schuldig voelen dat ik elf jaar na dato het prima ‘Ten Ways’ pas kocht. En dan nog tweede hands ook ….. Sorry heren.
JoJo (08-2005)


Bezetting:
Magnus Berggren - bass
Johan Engström - guitars & voice
Anders Kwarnmark - keyboards, programming & voice
Lars Källfelt – drums
Jerker Rellmark - voice, tambourine, trumpet & cornet

Discografie:
Flesh that Understands (1992)
Ten Ways (1994)

My Mouth Smells Bad Volume 1 (compilatie) (1996)
My Mouth Smells Bad Volume 2 (compilatie) (1998)

Reviews M

Maximum Indifference - The Transmutations
of Supposed Angels of Beings that were once Girl (2000)

Label: Botched Records
Bandsite: Maximum Indifference
Duur: 66:47
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


De titel van deze CD had mij enigszins voorbereid op een schok. Toch was ik behoorlijk ontdaan toen dit tweede album van Maximum Indifference voor het eerst de oren teisterde. Sindsdien denk ik te weten wat het is om een hersenspoeling te ondergaan. Een ervaring die ik nadien nogmaals had met werken van Devin Townsend. Na beluistering heb je even tijd nodig om bij te komen. Getransmuteerd haal je de eindstreep.
Het album komt de gehoorgangen binnen met een creepy lach waarna parallel spelende gitaren stevig invallen en de track 'Beware the Glabyglop' de opening verzorgt. Vreemde teksten larderen een muzikale ondergrond waarin allerlei effecten en geluiden van synths en samplers te horen zijn. Met de koptelefoon op weet u echt niet wat u hoort. "Dit houden ze geen 66 minuten en twaalf tracks vol en ik ook niet", schoot even door het gemankeerde hoofd. Men vervolgt de weirde weg met 'Kuang Grade Mark Eleven Penetration Program' - let op de titels - waarin hardrock wordt verweven met symfonische fragmenten en waarin de experimenten niet van de lucht zijn en korte intermezzi op akoestisch gitaar te horen zijn. Connotaties met Devin Townsend en soms ook Anekdoten doemen op. In 'Jack Palance the Ninja' is goed te horen dat dit trio uit de USA komt. Countryprog (…), wederom uitgevoerd op een niet alledaagse wijze. Helaas valt op dat de niet altijd even sterke drummer Duarte op een vreemde manier zijn bekkens gebruikt die bovendien nog voorin het geluidsspectrum zijn geplaatst. Als je er op gaat letten wordt het irritant. Niet doen dus want dat zou ten koste gaan van al het moois op deze schijf.
De band gaat in ijl tempo voort met het langs een sequencer opgebouwde up tempo nummer 'Wedge of Spite', dat vrij symfonisch is met name door het sterke synthesizer- en gitaarspel. 'Aura and Armament' en 'Swyncro' vormen min of meer rustpunten met atmosferische klanken en lijken qua compositie en sfeer bij elkaar te horen. Een uitschieter is wat mij betreft 'And your point is?' met uitgebalanceerde synth-tapijten waarover de gitaren van Bladek uitbundig soleren en er wat referenties zijn met één van mijn favoriete Amerikaanse bands Timothy Pure. Een andere uitschieter is 'Sleep Hammer', een jazz-rock georiënteerd nummer, wederom met krachtige gitaren à la Steve Morse en technisch vaardig en creatief bass-spel van Fjelstrom. Het negen minuten durende 'Halation' bevat een beklemmend gesproken verhaal over 'the old man and his grandson' op een ondergrond van een zich vele malen repeterend gitaarthema. Niet luisteren als u 's avonds alleen thuis bent of voor het slapen gaan want dan ligt een slapeloze nacht op de loer. Deze track loopt qua gesproken tekst en muziek over in of vormt eigenlijk één geheel met het afsluitende nummer en hoogtepunt 'Apparatus' (dertien minuten), waarin alles wat op deze schijf te vinden is samenkomt en de hersenspoeling wordt afgerond.
Eén van de meest onheilspellende albums die ik de laatste jaren heb gehoord, getooid met een al even absurde hoes. Een paar keer beluisteren is verre van onvoldoende. Het is een groeibriljantje dat pas na enige tijd haar schoonheid prijs geeft. Schoonheid die de lijnen volgt van veel verschillende muziekdimensies zoals prog, symfo, country, jazzrock en zelfs grunge en die weet te integreren. Ik heb het einde weer gehaald en ga uitgeput maar voldaan proberen te slapen. Als dat maar lukt.
JoJo (2003)

Bezetting:
Rich Duarte - drums, samples
Gustaf Fjelstrom - bass guitars, synths, samples
Mark Bladek - guitars, synths, samples

Discografie:
Maximum Indifference (1996)
The Transmutations of Supposed Angels of beings that were once girls (2000)

Reviews M

Pierre Moerlen’s Gong - Pentanine (2002)

Label: Musea Records
Bandsite: www.planetgong.co.uk
Duur: 61:24
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Mei 2005 overleed drummer Pierre Moerlen onverwacht in zijn woonplaats Colmar, in de voorbereiding op een nieuw album met een nieuwe formatie waar o.a. broer Benoit Moerlen (ex Gong) deel van uit zou maken. Hoewel de opnames al bezig waren heeft er naar mijn weten nog geen release plaatsgevonden van dit muzikale galgenmaal. Derhalve moet ik genoegen nemen met zijn laatste officiële wapenfeit ‘Pentanine’. Moerlen maakte reeds deel uit van de tweede generatie bezettingen, er zouden er nog veel volgen, van spacerockband Gong. De generatie die o.a. in 1974 ijkpunten in de Gongdiscografie als ‘Angel’s Egg’ en ‘You’ fabriceerde. Het Gongalbum ‘Gazeuse’ uit 1976 was de overgangsplaat naar het ontstaan van Pierre Moerlen’s Gong. Het album vormde een brug tussen het door spacegeluiden, glissandogitaren en ‘whispers’ gedomineerde geluid van de oer-Gong naar de jazzrock van Moerlen’s afsplitsing. Ook oudgediende Steve Hillage ging solo terwijl frontman Daevid Allen het spacepad tot op heden bleef bewandelen met tientallen releases en evenzovele uitstapjes naar belendende muziekpercelen. ‘Time is the Key’ (1979) was het debuut van Moerlen’s Gong, het project dat tot aan zijn dood bleef bestaan. Tussendoor beroerde hij live nog enige tijd de houten stokken bij Brand X en had eind jaren 90 een kortstondige maar conflictueuze comeback bij Gong.

Op ‘Pentanine’ zoekt Moerlen zijn kompanen in Oost-Europa. De formatie bestaat uit muzikanten uit St. Petersburg en is daar ook opgenomen. Het album bestaat uit goed in het gehoor liggende jazzrock waar complexere tracks soms afgewisseld worden met ‘easy listening’ jazzrock in de buurt van het Japanse Casiopea. Het soort dat je, ik schreef het al eerder, kan beluisteren in het radioprogramma ‘Langs de Lijn’. De muziek wordt dan weggedraaid omdat er gescoord is bij ‘Ons Eibernest’; als men dan weer terugfade naar de muziek is het net alsof je niets hebt gemist. Maar dit genre tracks is in de minderheid (‘Airway to Seven’ - grappige titel - en ‘Reminiscence’). Wat verder ten positieve opvalt is het gebruik van ‘soundscapes’ in o.a. opener ‘Flying High’ - heel mooi - en in ‘Interlude’. Iets wat hij voorheen naar ik meen niet deed en is geïnitieerd door toetsenist Meehail Ogodorov. Verder overheersen redelijk tot goede tracks waarin het gedegen en her en der ook subtiele drumwerk en de percussie van Moerlen opvallen. Ik vind wel dat zijn drums wat vet zijn opgenomen. Dat had wat minder gemogen.
‘Pentanine Part One’ springt eruit met de typerende repeterende xylophone van Moerlen en een lekker thema. Hetgeen ook opgaat voor ‘Au Chalet’ met een heerlijk pompende bas en aardige gitaarsolo, al is de keyboardsolo wel weer van een hoog ‘Langs-de-Lijn-gehalte’. ‘Trip a la Mode’ kent als basis een Fripperiaanse gitaar en ontwikkelt zich min of meer tot een spacesong waarin geluiden, effecten en solo’s over elkaar heen buitelen. Deze track komt qua opbouw, spanning en sfeer nog het meest in de buurt van de oude Gong. Prima track. ‘Classique’ en ‘Lâcheur’ bieden vernuftig gelaagde jazzrock met een mooie, al is het dan namaak, mellotron en een vertrouwd hammond organ, eveneens namaak. Een interessante track is voorts ‘Montagnes Russes’. Door de toevoeging van een echte (!) trompet ontstaat er onvermijdelijk een Miles Davis sfeertje. ‘Troyka’ vormt een rustige afsluiter met regengekletter en in ‘de uitloopgroef’ beangstigende stemmen.
Pentanine’ bevat jazzrock die tijdens het schilderen van het huis of gedurende het werk kan worden gedraaid. Bovendien is de aanschaf een bescheiden eerbetoon aan een uitstekende drummer en aan een naam die er in mijn beleving, zolang ik naar progrock luister, altijd is geweest.
JoJo (01-2006)


Bezetting:
Arcady Kuznetsov – electric guitar
Alexei Pleschunov – bass guitar
Meehail Ogodorov – keyboards, hand drum, percussion, recorder, soundscapes, underwater voice
Pierre Moerlen – drums, percussion, vibraphone, xylophone, programming
Alexander Lutsky – trumpet

Discografie:
Time is the Key (1979)
Downwind (1979)
Jingo (1979)
Live (1980)
Leave It Open (1981)
Breakthrough (1986)
Second Wind (1988)
Full Circle Live’88 (1998)
Pentanine (2002)

Reviews L

Latte e Miele – Trilogy (2003)
(The Complete Works)

Label: Akarma
Bandsite: http://www.italianprog.com/a_lattemiele.htm
Duur: 43:06 + 83:28 + 43:28
Reviewer: JoJo
Waardering:
Passio Secundum Mattheum @
Papillon @ @
Aquile e Scoiattoli @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Akarma is een label dat sinds jaar en dag bekend staat om de heruitgaven van albums uit het verleden. De albums zijn meestal verpakt in opvallende maar grove hoeskartonnen. Op beurzen mogen Akarmabakken zich verheugen in een grote populariteit. Ik kan mij dat enerzijds wel voorstellen. De hier besproken trilogie van de Italiaanse symfoband Latte e Miele ziet er ondanks de grofheid aantrekkelijk uit, met in de verzameldoos een boekje en de drie albums ‘Passio Secundum Mattheum’ (1972), ‘Papillon’ (1973; hier als dubbelaar in de Engelse én Italiaanse versie) en ‘Aquile e Scoiattoli’ (1976), in hun originele hoezen en met drie bonustracks.
Anderzijds verbaas ik mij herhaaldelijk over de populariteit van de Akarma releases. Want de luisteraar wordt op ‘Trilogy’ c.q op het eerste album geconfronteerd met een matige geluidskwaliteit. Het is net of ik zit te luisteren naar een grijs gedraaide LP. Het kraakt en schelt in alle voegen en de verdenking rijst dat de LP één-op-één zonder wezenlijke tussenstap op disc is gezet. Het tweede en derde album klinken overigens geluidstechnisch beter. Akarma maakt op die wijze misbruik van de kooplust van de echte verzamelaar die maar wat graag die oude albums in huis heeft. Thuis wacht echter de tegenvaller. Hetgeen ik ook al ervoer met de Akarma uitgave ‘Arzachel’ van gelijknamige band.
En hoe zit het met de compositorische en muzikaal-technische kwaliteit? “Het is zeer wisselend” zal ik maar direct antwoorden, althans op de eerste twee albums. Latte e Miele is in mijn ogen een matige kopie van één van de beste zo niet de beste Italiaanse seventies band Premiata Forneria Marconi (PFM). Vanuit hun eclectische werkwijze en doorgeschoten klassieke engagement komt Latte e Miele op het debuut ‘Passio Secundum Mattheum’ tot pseudo-intellectuele muziek waarbij zowel de hoogdravende teksten, de fragmentarische composities maar ook de uitvoering als een omgevallen boekenkast overkomen. Men vertilt zich aan gedragen gesproken teksten en ‘over-the-top’ koorzang. Het schijnt dat het werk ooit is opgevoerd in het aangezicht van Paus Paulus VI in het theater van het Vaticaan. Misschien zegt dat genoeg. Valt er dan niets te genieten? Jawel. Zo is het altijd mooi om de mellotron te horen, is het toetsenspel technisch vaardig en staan op de albums aardige fragmenten. Zo klinken ‘I Testimoni’ en ‘Il Calvario’ op het debuut aanvaardbaar. De rest lijdt aan bovengenoemde kwalen. En is een aantal thema’s op ‘Papillon’ in de symfonische delen ‘Secundo Quadro: Il Mercata’ en ‘Settimo Quadro: Corri Nel Mondo’ best mooi. Met niet alleen referenties aan PFM maar ook aan ELP en het vroege King Crimson. Doordat het album iets minder theatraal overkomt scoort het over de gehele linie iets beter.
Op ‘Aquile e Scoiattoli’ staat de band nog meer met beide benen op de grond, is het gebodene aanmerkelijk minder hoogdravend en zijn de composities toegankelijker. Wellicht door de grotendeels andere bezetting. Zo vertrok toetsenist Oliviero Lacagnina omdat hij geen concessies aan de commercie wilde doen. Deze schijf bevalt mij verreweg het beste en met de commerciële beïnvloeding valt het wel mee. Bij het drieëntwintig minuten durende ‘Pavane’ is het goed vertoeven. De track biedt een staalkaart aan wat er op symfonisch gebied mogelijk is, met her en der wat jazzy accenten. Al zijn er wat gladde, gelickte elementen te ontwaren in de arrangementen. Wellicht bedoelde Lacagnina dat. Per saldo een goed en relatief rustig album waarop het lekker wegdromen is.
Wie zijn verzameling symfonische rock wil aanvullen met Latte e Miele en gaat voor muzikale kwaliteit raad ik aan om ‘Aquile e Scoiattoli’ als losse CD te bemachtigen. Wie gaat voor volledigheid en de aantrekkelijkheid van een box kan ‘Trilogy’ aanschaffen. Maar u bent gewaarschuwd!
JoJo (01-2006)

Bezetting:
Op ‘Passio Secundum Mattheum’ en ‘Papillon’:
Oliviero Lacagnina - keyboards, vocals
Marcello Giancarlo Dellacasa - guitar, bass, vocals
Alfio Vitanza - drums, flute, vocals
Op ‘Aquile e Scoiattoli’:
Mimmo Damiani - keyboards, guitar, vocals
Luciano Poltini - keyboards, vocals
Massimo Gori - bass, guitar, vocals
Alfio Vitanza - drums, acoustic guitar, vocals

Discografie:
Passio Secundum Mattheum (1972)
Papillon (1973)
Aquile e Scoiattoli (1976)
Live (1992; liveopnamen 1972)
Vampyrs (1992; liveopnamen 1974)

Reviews L

Tony Levin - Waters of Eden (2000)

Label: Narada
Bandsite: Papabear.com
Duur: 54:10
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

In de begeleidende tekst bij Waters of Eden schrijft bassist Tony Levin dat hij wist dat hij met iets bijzonders bezig was toen zijn schoonmoeder zijn studio betrad en hem vertelde 'how much she loved this music'. En, zo schrijft Levin, 'this is not the usual situation for a player involved in King Crimson's radically alternative experiments'. Hilarisch, maar zeker ook waar. Wat op deze schijf wordt geboden heeft weinig met King Crimson te maken, het sluit meer aan bij de world music albums van Peter Gabriel zoals 'The Last Temptation of Christ' en vormt een uitvergroting van de rustige nummers op Levin's andere solo-albums. Het is dan ook een ingetogen album geworden in de ambienttraditie, gecombineerd of aangevuld met elementen uit de jazz maar toch met name uit de klassieke muziek. Saint Saëns en Debussy zijn favorieten van Levin en dat is soms goed te horen. Dat de man nog tijd heeft voor het maken van kwalitatief hoogstaande solo-albums mag uitzonderlijk worden genoemd. Zijn werk met King Crimson, de hand en spandiensten bij Peter Gabriel en zijn vele sessiewerk en gastoptredens resulteren inmiddels in een schier oneindige activiteitenlijst die op zijn site kan worden geraadpleegd.
'Waters of Eden' is een zeer sterk album wat ik graag zal blijven draaien, vooral in de late uurtjes of na een vermoeiende dag. Er straalt rust van uit en het zet aan tot mijmeringen en dagdromen. Levin opent met het prachtige en dreigende 'Bone & Flesh' waarin de bansuri fluit van Steve Gorn de world music invloed van Gabriel vertaalt en de schitterende bas de juiste accenten legt. Zo ook in het klassiek getinte titelnummer waar Levin zelfs de cello tussen de benen neemt. Hoewel hij er in de hoestekst wat lacherig over spreekt, haalt hij prachtige romantische klanken uit de cello. Het gitaarwerk wordt hier verzorgd door het California Guitar Trio. 'Icarus' is een geweldig nummer dat herinnert aan de rustige stukken van Weather Report. Dat komt met name doordat het lijkt of Wayne Shorter sopraansax speelt. Het blijkt echter de virtuoze David Sancious te zijn die de 'virtual soprano' beroert: een digitale sax derhalve maar dat is nauwelijks waar te nemen. Wat verder opvalt in dit nummer en eigenljk op het gehele album is dat Jerry Marotta niet alleen in staat is om stevig drumwerk te laten horen zoals bij Gabriel maar ook het subtiele drum- en percussiespel goed in de vingers heeft. Ik had ook niet anders verwacht van deze grootheid.
'Gecko Walk' is helaas een minder nummer met een wat naïef thema. Een niemendalletje, hoewel het ritme aardig aangeeft hoe een gecko loopt. 'Belle' is een gloedvolle hommage van Tony en Pete Levin aan hun moeder. Het betreft slechts wat toetsen en bas zoals alleen Levin dat kan spelen. Hoewel het nummer erg easy listening is en daardoor 'op het randje', is het een integere lofzang. 'Pillar of Fire' klinkt meer als Peter Gabriel dan Gabriel zelf. Het is een door drums gedomineerd nummer dat het live goed zal doen denk ik. Als ik me niet vergis staat het ook op de in 2003 verschenen live dubbelaar 'Double Espresso'. 'Boulevard of Dreams' is weer een juweeltje waarin op zeer smaakvolle wijze jazz wordt gefuseerd met klassieke muziek en waarbij wegdromen de enige mogelijkheid is. 'Opal Road' gaat voort op dezelfde lijn en geeft Larry Fast de mogelijkheid te schitteren op de keys. De afsluiter 'Utopia' biedt 8 minuten progressive fusion. Het begint rustig met een rommelende en kabbelende bas, de voorbode van een Pink Floyd achtig vervolg. Mooi nummer dat iets korter had gekund omdat de aandacht enigszins verslapt. Het vormt echter een logisch einde van 'Waters of Eden'.
Tony Levin balanceert op dit album weliswaar af en toe op de rand van de easy listening waar vroeger Willem 'O Duys zo gek op was maar hij springt, door zijn vakmanschap en dat van zijn kompanen en door zijn progressieve bagage, steeds aan de goede kant van de rand af. Zijn schoonmoeder kan trots op hem zijn.
JoJo (2003)

Bezetting:
Tony Levin - bass, cello
Larry Fast - synths
Jerry Marotta - drums, percussion
David Sancious - piano, synths
Jeff Pevar - guitars
Pete Levin - synths
Steve Gorn - bansuri flute
David Torn - drum processing


Discografie:
World Diary (1995)
Waters of Eden (2000)
Pieces of the Sun (2001)
Double Espresso (2002)
Resonator (2006)

Reviews L

Liquid Scarlet – II (2005)

Label: Progress Records
Bandsite: www.liquidscarlet.com
Duur: 57:46
Reviewer: H. ‘JoJo’ de V.
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Het naamloze debuut van het Zweedse Liquid Scarlet pronkte in 2004 op mijn eindejaarslijst. Een geweldig album dat naar meer smaakte. En deze smaaktest kan nu uitgevoerd worden met opvolger ‘II’.
Het startschot vormt ‘Lines Are Drawn Again’, een in aanvang rustig op een pianothema gebaseerde song met breekbare zang van Markus Fagervall. Ingetogen, maar zoals het Scandinaviërs betaamt uiteindelijk resulterend in een climax vol gitaren en keyboards. Een veelbelovende opening gevolgd door het tien minuten durende ‘The Carafe (Part II)’. Waar zou part I toch uithangen? Een duidelijk door King Crimson geïnspireerd stuk met uiteraard mellotrons. Er zitten veel jazzakkoorden in deze song, de stem is hier krachtiger en lijkt erg op Gordon Haskell toen hij op ‘Lizard’ deel uitmaakte van King Crimson. Liquid Scarlet is echter niet in staat om mijn aandacht gevangen te houden. Delen van deze track zou ik willen bestempelen als muzikaal geneuzel en doelloos gepiel. Het nummer valt een aantal malen zelfs bijna stil en komt weer op gang met toch wel weer lekkere bombast. ‘The Marriage of Maria Braun’, gebaseerd op de gelijknamige film van Rainer Werner Fassbinder uit 1979, is een prachtig door een vioolensemble gedragen kleinood dat - hoewel de subtiliteit van het nummer anders doet vermoeden - toch gaat over oorlogs-verschrikkingen. Het negen minuten klokkende ‘Rhododendron’ heeft een mooi gezongen thema maar wordt na een minuut of vier fragmentarisch en springerig en geforceerd experimenteel. Bovendien ervaar ik ook hier het euvel van concentratieverlies, al doet de outro mij weer opveren door het gebruik van heerlijke mellotrons en de terugkeer van de zang.
Liquid Scarlet komt vervolgens met vijf tracks die gemiddeld vier minuten duren. Die maken duidelijk dat de band op dit album althans beter scoort in kortere songs, al is de zang in ‘Everywhere’ wel erg fragiel. Maar grosso modo blijf ik hier aandachtiger luisteren naar goed opgebouwde tracks met doorgaans mooie wat klassieke arrangementen. En bovenal: beduidend rustiger dan het gebodene op het debuutalbum, niet in de laatste plaats door het veelvuldig gebruik van ‘het strijkje’ bestaande uit cello en viool. Uitzondering vormt de platvloerse rock in ‘Killer Couple Strikes Again’, dat bovendien slecht wordt gezongen en is getooid met lullige keyboardsolo’s. Afsluiter ‘Lines’ is acceptabel maar kent eveneens de genoemde aandachtspunten. `

De smaaktest van ‘II’ leidt tot in verwarring zijnde smaakpapillen. Zij schieten door de wisselende kwaliteit van het album van zout naar zoet en dan weer naar zuur. Wat in ieder geval duidelijk wordt is dat Liquid Scarlet beter uit de verf komt met puntiger tracks en dat meer lengte hier leidt tot afhaken. Kortom, ik betwijfel of dit album in mijn lijst met de beste smaken van 2005 zal verschijnen want ik blijf een beetje ‘zuur’ kijken.
JoJo (11-2005)

Bezetting:
Markus Fagervall – voice, guitars
Olav Andersson – guitar, clarinet
Olle Sjögren – keyboards
Joel Lindberg – bass, additional keyboards
Johan Lundström – drums, percussion, voice, accordion, harmonica, acoustic guitar, keyboards, string arrangements

Discografie:
Liquid Scarlet (2004)
Killer Couple Strikes Again (2005, EP)
II (2005)

Reviews K

Kaipa - Keyholder (2003)

Label: Inside Out Music
Bandsite: Kaipa
Duur: 78:27
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Roine Stolt is een bezige baas. Hij stuurt zijn Flower Kings aan, speelt verdienstelijke deunen mee in Transatlantic, tourt met beide bands over de gehele wereld, verleent hand- en spandiensten bij andere artiesten, moet tussendoor nieuw werk bedenken en heeft twee jaar terug ook nog zijn oude formatie Kaipa uit de mottenballen gehaald. Het prima 'Notes from the Past' uit 2002 markeerde de come back van de band waarin Stolt samen met zijn oude makker Hans Lundin een hoofdrol speelt. De meester herkent zichzelf en wordt herkend in de dosering. Een te hoge produktie kan leiden tot kwaliteitsverlies en uitval, dat gevaar ligt niet alleen in de muziek op de loer. Heeft dit gevaar zich voorgedaan bij Kaipa's nieuweling 'Keyholder'? Op die vraag durf ik volmondig 'ja' te antwoorden. Een toelichting.
Het werkstuk duurt 1 uur en 18 minuten en dat is veel te lang. Het gebodene verrast te weinig om de concentratie zo lang vast te houden en bovendien klinkt het allemaal erg bekend. Lange werkstukken afscheiden is toch al een tendens sinds de intrede van de CD, maar gaat voorbij aan het onderzoeksgegeven dat de gemiddelde mens bij luisteren of lezen de concentratie niet langer dan zo'n 40 minuten kan vasthouden. Stolt bezondigt zich overigens ook regelmatig aan tijdsoverschrijding bij The Flower Kings. En aangezien ik mijzelf beschouw als een gemiddeld mens haak ik rond die tijd volledig af. 'Keyholder' is daarnaast overgeproduceerd, waarmee ik niet doel op de geluidskwaliteit maar op het feit dat het geluidsspectrum geheel vol zit. Elk gaatje is gevuld, vaak met (een aaneenschakeling van) solo's. Dat doet nog een extra appèl op de concentratie van de luisteraar. Verder kennen de meeste nummers, met uitzondering van het relatief rustige en prachtige 'Sonic Pearls', eenzelfde opbouw die wij ook van andere Stolt produkten kennen: het thema wordt al dan niet met zang in een eerste deel neergezet, wat volgt is een instrumentaal en doorgaans langdurig intermezzo en er wordt weer afgesloten met het thema. Zo'n gelijke opbouw hoeft niet verkeerd uit te pakken, maar in combinatie met mijn andere kritiekpunten hindert het mij en men schuift daardoor teveel op naar The Flower Kings. Waar ligt dan nog het onderscheid tussen Kaipa en de bloemenkoningen? En dan de zang. Op de prima Patrik Lundström van Ritual is niets aan te merken. Zijn stem staat als een huis en blijft boeien. Dat geldt niet voor zangeres Aleena. Hoewel zij een zuivere en heldere stem heeft, beperkt zij zich waarschijnlijk onbewust tot een manier van zingen die vaak wordt toegepast in musicals. Een wat theatrale en overdreven articulerende uitvoering is dan het resultaat. Als Joop van den Ende haar ontdekt ligt een grote carrière in het verschiet, maar voor een rol in de progressieve muziek lijkt zij mij niet geschikt. Tenslotte worden de solo's op keyboards en met name gitaar te veel en te ver uitgesponnen. Ook hier is de dosering volledig uit het oog verloren en wat rest is langdradigheid.
Is er dan niets positiefs te melden over 'Keyholder'? Wel degelijk. Er zijn ten opzichte van hun vorige werkstuk wat jazzy elementen toegevoegd, wat goed uitpakt in bijvoorbeeld 'A Complex World of Art'. Alle tracks worden vakkundig uitgevoerd door topmuzikanten waarbij het inventieve drumspel van Morgan Ågren (voorheen bij Frank Zappa) opvalt. Stolt cs. zijn bovendien uitermate goed op elkaar ingespeeld. Ten slotte moet aan de positieve kant worden vermeld dat nummers als het eerder genoemde 'Sonic Pearls' en 'Distant Voices' er op zichzelf best mogen zijn. Het geheel is verpakt in een goed verzorgde hoes met een intrigerende afbeelding op de voorzijde.
Niet alles wat wordt uitgebracht in prog- en symfoland hoeft vernieuwend te zijn. Maar hoe lang kun je nog doorgaan met het bedenken van dit soort werkstukken? Stolt wandelt op een door hem en vele anderen in het verleden en heden uitgekauwde en doodlopende weg. Wat des te meer opvalt bij een (te) hoge produktie in een te korte tijdsspanne en bij te weinig dosering in de uitvoering. Het einde van de doodlopende weg is dan logischerwijze ook sneller bereikt. Een dramatische koerswijziging lijkt mij noodzakelijk.
JoJo (2003)

Bezetting:
Hans Lundin - hammond organ, synthesizers, mellotron, piano, vocals
Roine Stolt - electric and acoustic guitars, percussion, vocals
Morgan Ågren - drums
Jonas Reingold - fretless & custom basses
Patrik Lundström - lead and backing vocals
Aleena - lead and backing vocals

Discografie:
Kaipa (1975)
Ingett nytt under solen (1976)
Solo (1978)
Händer (1980)
Nattdjurstid (1982)
Stockholm Symphonie (1993/bootleg)
Notes from the Past (2002)
Keyholder (2003)

Reviews K

Kansas - Device-Voice-Drum (2002)

Label: Compendia Music Group
Bandsite:
kansasband.com
Duur: 67:43 + 32:01
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Kansas had vroeger mijn warme belangstelling. Ten tijde van de releases van ‘Leftoverture' en ‘Point of Know Return', half jaren 70, behoorde de band tot het illustere rijtje namen dat ik opsomde als iemand mij vroeg van welke muziek ik hield. Later ben ik de band uit het oog verloren om hernieuwd kennis te maken via hun prima ‘Somewhere to Elsewhere' uit 2000, waarop zelfs oudgedienden Kerry Livgren en Dave Hope weer meededen. De voorliggende live-dubbelaar was de laatste jaren echter toch aan mijn aandacht ontsnapt. Beter laat dan nooit want het gebodene is zeer aantrekkelijk.
Mijn laatste ervaring met een live-optreden van Kansas was via het album ‘Two for the Show' uit 1978. Ik vond en vind dat een matig werkstuk dat maar niet wilde beklijven. Het gat dat er gaapt tussen de studio-uitvoeringen van de tracks en de live-interpretatie vond ik te groot en het was alsof er een dikke deken over het geluid was gedrapeerd. Deze bezwaren gelden bij het in Atlanta opgenomen ‘D-V-D' geenszins. De band is, ondanks een aanzienlijk aantal speltechnische schoonheidsfoutjes, geweldig op dreef en speelt alsof de jeugd nog in hen zit. Die foutjes heeft men er gelukkig in laten zitten, hetgeen de spontaniteit en oorspronkelijkheid ten goede komt. En de produktie is ook uitstekend te noemen. De heren zijn bovendien meesters op hun instrumenten waarbij vooral het goedgeplaatste drummen van Ehart opvalt en Steve Walsh weer volledig hersteld is van zijn fysieke en psychische malheur en de sterren van de hemel zingt en speelt. Hij heeft het niet gemakkelijk omdat de toetsenpartijen complex zijn en hij tegelijkertijd vaak moet zingen. Dat gaat niet altijd goed zoals in ‘Icarus' en ‘The Wall', maar zoals gezegd heeft dat ook zijn charme. Overigens vind ik zijn orgelpartijen een lust voor het oor. Walsh wordt ontlast doordat violist Robby Steinhardt en bassist Dave Greer regelmatig op verdienstelijke wijze zangpartijen voor hun rekeningen nemen.
De tweede schijf van deze dubbelaar bevalt mij iets beter dan de eerste. Waarschijnlijk toe te schrijven aan de geweldige uitvoeringen van mijn ‘all time favourites' als ‘Miracles Out of Nowhere', ‘Point of Know Return' en de lange uitvoering van ‘Carry on my Wayward Son'. Maar ook op CD 1 trekt men kwalitatief hoogstaand van leer in ‘Belexes', ‘Song for America', ‘The Preacher', ‘Journey from Mariabronn' en ‘Cheyenne Anthem' waarbij overigens de schitterende gitaarpartijen van Richard Williams niet onvermeld mogen blijven. Waardoor per saldo de kwalitatieve verschillen tussen CD1 en CD 2 minimaal blijven.
Terugkijkend mag Kansas een unieke band worden genoemd met een geheel eigen geluid dat je herkent uit duizenden. Dat bewijst dit liveconcert eens te meer. Het betreft hier een ‘enhanced CD', hetgeen betekent dat er een videotrack is toegevoegd waarop men ‘Distant Vision' uitvoert. Hoewel ik daar doorgaans niet zo op zit te wachten, krijg je als luisteraar door deze bewegende beelden wel een inkijkje in het spelplezier dat Kansas die avond uitstraalde en wordt het enthousiasme van het publiek nog tastbaarder. Mijn enthousiasme over ‘D-V-D' heb ik tastbaar proberen te maken via deze lovende review.
JoJo (04-2005)

Bezetting:
Steve Walsh - keyboards, vocals
Robby Steinhardt - violin, vocals
Phil Ehart - drums
Billy Greer - bass guitar, vocals
Richard Williams - lead and acoustic guitars

Discografie (selectie):
Kansas (74)
Song for America (75)
Masque (75)
Leftoverture (76)
Point of Know Return (77)
Two for the Show (78)
Monolith (79)
Audio Visions (80)
Vinyl Confessions (82)
Drastic Measures (83)
Power (86)
In the Spirit of Things (88)
Carry On (90)
Freaks of Nature (95)
Always Never the Same (98)
Somewhere to Elsewhere (00)
Device-Voice-Drum (02)
Kansas [boxed set] (04)

Reviews K

Mike Keneally - Nonkertompf (1999)

Label: Exowax Recordings
Bandsite:
keneally.com
Duur: 74:12
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (max. score JoJo's)

Wat deed u toen John F. Kennedy werd vermoord? Een universele vraag met doorgaans een persoonlijk antwoord. Wat deed u toen u hoorde dat Frank Zappa overleden was? Dat is een vraag die wat minder universeel gesteld zal worden, maar ik weet het nog precies. Ik zat een biertje drinken in mijn stamkroeg na de inrichting van een kunstbeurs. Ik was verslagen. Zappa was immers 'altijd' aanwezig geweest in mijn beleving. Dat is ook de reden dat ik werkstukken van muzikanten die ooit bij Zappa speelden nauwkeurig volg. Zo ook sinds enige tijd het werk van meestergitarist en incidenteel toetsenist Mike Keneally, die in de periode 1987-88 in dienst was van Zappa. De man door wiens muziek Keneally ooit besloot om de gitaar ter hand te nemen. De man die Keneally overigens na een jaar weer ontsloeg omdat hij zijn directieven op het toneel soms negeerde. Dat was een grote klap maar Mike bleef hyperactief in en met muziek. Zo speelde hij in The Steve Vai Band en trad en treedt hij, naast zijn solowerk, op met zijn begeleidingsband Beer for Dolphins met o.a. Nick d'Virgilio.
'Nonkertompf' is een solo-album bestaande uit 35 instrumentale miniatuurtjes die voorbijschieten door hun korte duur, zo gemiddeld 2 minuten per track. In deze weldadige overvloed zijn invloeden van Zappa te horen – uiteraard zou ik zeggen – maar heeft Keneally zich ook weten te ontworstelen aan het Zappa-idioom en laat hij ook andere invloeden toe. Dit werkstuk roept bij mij bijvoorbeeld associaties op met 'The Filmworks'-cyclus van jazz- en fusioncomponist John Zorn. Maar bovenal blijkt Keneally in staat om een eigen geluid te laten horen. De akoestische gitaar domineert in de vele kleinoden die deze doos van Pandora bevat, schitterend ondersteund door piano, synths, blaasinstrumenten en allerlei effecten en geluiden. Het zou te ver voeren om alle tracks hier te bespreken. Een aantal wil ik er graag uitlichten. Zo is daar het subtiele en romantische 'Click' met een pakkend thema dat uitdaagt tot meeneuriën. De Zappa-invloed komt in tracks als 'Naked Horse' en 'Draconian Blump' met name naar voren: fragmentarisch en met het zo bekende spinetgeluid en de marimba's die we van de meester kennen. 'Blue Jean Baby' valt op omdat de gitaarsynth een door merg en been gaand thema speelt. En zo kunnen we doorgaan met het steken van de loftrompet op het complexe 'The Knife and Drum', het intieme 'Paprika' met een thema dat zich de gehele CD een aantal malen herhaalt, de experimenten in 'Nine' en 'Juzz', het dreigende en symfonische 'O, Stamp Collector' en niet te vergeten de bombast van – wat een titel - 'Sunset over the Paprika Festival' en 'Raka Bannuh's Men'.
Mike Keneally is niet alleen een begenadigd gitarist met een indrukwekkende staat van dienst. Hij blijkt op deze schijf een virtuoos multi-instrumentalist te zijn, waarbij vooral zijn hoogstaande pianospel opvalt. En bovendien een creatief componist die met 'Nonkertompf' wat mij betreft een meesterwerk heeft afgeleverd. De rest van zijn catalogus staat inmiddels op het lijstje 'Met spoed aan te schaffen'.
JoJo (2003)

Bezetting:
Mike Keneally- all instruments, compositions and production

Reviews K

Mike Keneally - Keneally &
Metropole Orkest (2004)

Label: NPS Output / Favored Nations
Bandsite:
keneally.com of metropoleorkest.nl
Duur: 52:05
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Het Metropole Orkest associeerde ik tot een aantal jaren terug, wellicht onterecht, met name met stoffige radioprogramma's uit mijn jeugd. De uitroep 'En het Metropole Orkest onder leiding van Dolf van der Linden!!' galmt nog onnut na in het hoofd. Maar de stoffigheid is al lang afgelegd. Het orkest heeft zijn sporen in de muziekhistorie natuurlijk ruimschoots verdiend en de afgelopen jaren vele concerten gegeven en albums uitgebracht met bekende artiesten als Herbie Hancock, Steve Vai, Elvis Costello en Gino Vanelli. Een recent samenwerkingsverband is aangegaan met ex-Zappiaan Mike Keneally, met wie men 'The Universe Will Provide' presenteerde op het Holland Festival in 2003. De studioversie van dit werkstuk is nu uitgebracht op schijf.
Mike Keneally kan gezien worden als enerzijds een begenadigd componist en solo-artiest met een eigen geluid (zie ook de review 'Nonkertompf') en anderzijds als de hoeder van 'Franks gedachtegoed'. Frank Zappa wel te verstaan. Deze laatste prijzenswaardige rol vervult hij met name op 'The Universe Will Provide'. Weliswaar met eigen composities maar die stukken zijn zo doordrenkt van Zappiaanse arrangementen, blaaswerk, verrassende wendingen en breaks, dat welhaast gesproken kan worden van een hommage aan de grote leermeester. Ondersteund door een wervelend Metropole Orkest roept Keneally herinneringen op aan albums als 'Uncle Meat' en 'Waka Jawaka' van Zappa & The Mothers of Invention. Ook horen we duidelijke echo's van 'The Yellow Shark' uit 1990, waarop Zappa vlak voor zijn dood samenspeelde met het 'Ensemble Modern'.
'The Universe Will Provide' kent geen zwakke momenten maar wel een aantal uitschieters. 'All Of Them Were Quiet' laat een complex soort jazzrock horen met een jankende gitaar van Keneally, afgewisseld met klassieke orchestrale intermezzi à la Strawinksy en Varèse. 'Room' is gestoeld op een pompend ritme waaroverheen subtiele solo's op elektrische piano en gitaar op een bedje van violen zijn gezet. Het 11 minuten durende 'Four Slices of Toast' herbergt alle kenmerken van de complexe en soms fragmentarische muziek van Zappa en valt met name op door de 'gesprekken' tussen de uitstekende ritmesectie van het orkest en de gitaar van Keneally. 'Worrywart Spoonguy' klinkt op het eerste gehoor funky en lijkt uit te nodigen tot enige dansbeweging maar is daar toch te ingewikkeld voor. Voorts blinkt de track uit door de symfonische arrangementen en de solo's op, naar ik dacht, vibrafoon. Ook de overige nummers klinken zeer overtuigend en dragen plezier in het spel uit.
Keneally heeft samen met het Metropole Orkest een monumentaal werkstuk afgeleverd waarin een perfecte synthese plaatsvindt tussen klassieke muziek, jazz en rock. Daar waar Frank Zappa ook zijn hart had liggen. De meester zou trots zijn geweest op zijn leerling Keneally, al kan ik mij niet voorstellen dat Keneally een zo op Zappa gebaseerd werkstuk zou hebben durven afleveren bij diens leven.
JoJo (9-2004)


Bezetting:
Mike Keneally - electric and acoustic guitars, electric piano
Het Metropole Orkest - all other instruments

Discografie:
Hat. (1992)
Boil that Dust Speck (1994)
Giant Tracks (1997)
The Tar Tapes Vol. 1 1983-1991 (1997)
The Tar Tapes Vol. 2 1982-1991 (1998)
Nonkertompf (1999)
Wooden Smoke (2001)
The Universe Will Provide (2004)
With Beer for Dolphins:
Half Alive in Hollywood (1996)
Sluggo! (1997)
Dancing (2000)

Reviews J

Jack Foster III – Evolution of Jazzraptor (2004)

Label: Musea Records
Bandsite: www.jazzraptor.com
Duur: 58:11
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Het jaar 2006 heeft zijn eerste schreden nog maar net gezet en ik heb al een kandidaat voor de jaarlijst in beeld. ‘Evolution of Jazzraptor’ van de band Jack Foster III, vernoemd naar zijn voorman, zanger en gitarist. Een bijzonder album door zijn verscheidenheid aan stijlen en invloeden en de samensmelting daarvan tot een prachtig progressief geheel met een eigen handtekening. De band is meer een project dan een permanente structuur, op dit album bestaande uit o.a. Trent Gardner (o.a. Magellan) en Robert Berry (o.a. The December People). Waar Jack Fosters’ interesses liggen is wel duidelijk namelijk bij Gino Vanelli, The Flower Kings, Sting, Toto en The Beatles. Hij hult dat alles in een progjas met af en toe metal- maar met name jazzaccenten en bovenal ijzersterke composities met snel beklijvende melodielijnen.

Het startschot ‘Bohemian Soul’ roept sterke associaties op met The Flower Kings, al moet gezegd dat de over de gehele albumlinie uitstekende zang van Jack Foster een stuk spannender klinkt dan het monotone declameren van Roine Stolt. De instrumentatie is creatief met veel afwisseling tussen gitaar en keyboards. Die spanning en variatie ontmoet ik ook in de countryprog van ‘Cat’s Got Nine’ waar in drie minuten een song wordt neergezet die staat als een huis. ‘Feel It When I Sting’ kent weer een prima thema, een mooie synthsolo, een lekker orgel en een smaakvolle afwisseling tussen stevige en rustige elementen. ‘The Shy Ones’ heeft net iets te veel van Sting in zijn jazzy periode maar is desondanks met zijn pakkende melodie en tokkelende akoestische gitaar heel mooi. Voor de late uurtjes! Terwijl ‘Tiger Bone Wine’ een niet al te revolutionair popnummer is waarbij meezingen echter onvermijdelijk is.
Rillingen gaan door mij heen bij het gevoelige ‘Dream With You’, een ballade met prachtige arrangementen gedomineerd door de schitterende volle toetsen van Gardner die de band opzwepen naar een felle climax. ‘Lucifer’s Rat’ kent een typische van Magellan bekende basis van drums en bas en de track ‘ontaardt’ in een meezinger van jewelste met een heerlijke trompet en een namaak hammond die desondanks toch wervelt. Vervolgens schieten we door naar het volgende hoogtepunt ‘Everytime You Smile’ waar Foster zingt met de dictie van Sting, er ook nog een briljante en ruige gitaarsolo uitgooit en waar de band grossiert in bombastische breaks. Het veertien minuten durende ‘Nirvana in the Notes’ sluit af en wordt vooral in de eerste delen bepaald door het vaardige pianospel van Shelly Berg. Hij klinkt zowel jazzy, met referenties aan Keith Jarrett, als klassiek tegelijk en dat is niet gemakkelijk. Al vind ik het pianodeel iets te lang duren. De overgangen zijn onverwacht maar iets te abrupt waardoor er mijns inziens te veel licht zit tussen de gezongen melodie en de pianostukken. Ondanks deze kritiek vormt de track echter een prima einde in stijl.

‘Evolution of Jazzraptor’ is op de gebruikelijke wijze te verkrijgen maar ook tegen betaling per track in zijn geheel te downloaden. U haalt dan een heerlijk album in huis, dat lekker wegdraait maar ondanks zijn toegankelijkheid gelukkig ver weg blijft van ‘het midden van de weg’. De eigenzinnige inkleuring, de complexe onderliggende lagen en de avontuurlijke speltechniek zijn daar de prettige oorzaken van.
JoJo (01-2006)


Bezetting:
Jack Foster - vocals, lead guitars
Robert Berry - bass, drums, guitars
Trent Gardner - keyboards, trombone, percussion, Moog bass
Ken Stout - saxophone
David Ristrim - dobro and pedal steel
Jeff Curtis - guitars, harmonica
John Cappobianco - trumpet
Shelly Berg - piano
Andy Eberhard - additional drums

Discografie:
Evolution of Jazzraptor (2004)
Raptorgnosis (2005)

Reviews J

Jackson Heights - King Progress (1970)

Label: Repertoire
Bandsite: -
Duur: 36:04
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De stem van Lee Jackson - natuurlijk bekend van o.a. The Nice, Jackson Heights en Refugee - roept bij veel mensen aversie op. De rauwe, schraperige stem met vreemde uithalen en toonzettingen vind ik toch op z'n minst markant, uit duizend stemmen te herkennen en roept bij mij geenszins aversie op. Integendeel, iedere keer als ik hem hoor komt bij mij de echo binnen van vervlogen tijden. Het is alsof ik de ruis van mijn eigen jeugd hoor. Melancholie en sentiment dus, dat geef ik toe, maar ook blij dat ik dit soort artiesten altijd heb gevolgd en dat ik er nog steeds met veel plezier naar luister. Is een objectief oordeel dan eigenlijk nog wel mogelijk? In het geheel niet. Maar ik neem de lezer graag mee in mijn zorgvuldig geconstrueerde subjectieve wereldje vol met oor- en vooroordelen.

Na het uiteenvallen van The Nice in 1970 zat Lee Jackson zonder werk en in een ernstige depressie. Het einde van The Nice en het feit dat hij geen deel uitmaakte van het succes van het 'vervolg' Emerson, Lake and Palmer, brachten hem in verwarring. Hij was echter vastbesloten in de muziek te blijven en richtte gelukkig Jackson Heights op. Een bandnaam die hij ontleende aan de naam van een district in Brooklyn, New York. Met een aantal prima albums tot gevolg. Bump 'n Grind uit 1973 is er daar één van. 'King Progress' ook. Als je 'King Progress' beziet in het perspectief van de albums die nog zouden volgen en die meer in de richting van The Nice en ELP gaan, lijkt het of Jackson zich in dit debuut soms met opzet afzet tegen die twee andere loten aan dezelfde stamboom. De songgerichte structuren, de ondeugende en ironische teksten, het zeer gedoseerde gebruik van toetsen en het prominenter aanwezig zijn van gitaren zijn daar enkele bewijzen van. Jackson zei daarover "I wanted to do something that would be as different from The Nice as I could imagine". In zijn latere werk met Jackson Heights en Refugee lijkt hij die aandrang minder gevoeld te hebben.
Het album opent lekker met een up tempo track met de veelzeggende titel 'Mr. Screw', waarin Jackson het op een orgastische en hem kenmerkende wijze uitschreeuwt. Dat zou een singlekandidaat geweest kunnen zijn, al zou de controversiële tekst dat hebben voorkomen. 'Since I Last Saw You' is mijn favoriet en bezorgt mij permanent rillingen. Door het gekozen thema - het afscheid van vrienden en vriendinnen - door de enigszins mystieke sfeer en de ingetogen emotie. Als adept van de herfst en de winter bezorgt 'Sunshine Freak' mij altijd een veelzeggende glimlach op het bleke gezicht en heb ik direct een aantal mensen op het netvlies die deze titel op het lijf geschreven is. De titelsong doet mij nog het meest aan The Nice denken, met name door de sfeer die er in deze track hangt en Jackson's manier van zingen. 'Doubting Thomas' is een muzikale grap in de lijn van 'Jeremy Bender' van ELP. 'Insomnia' is heerlijk 'laid back', bluesy en orchestraal en zou, onterecht, voor de Jackonhaters het beste bewijs kunnen zijn dat de man niet kan zingen. Inderdaad, zingen kun je het niet noemen maar het is me goed. 'Cry of Eugene' is een geweldig nummer dat we al kenden van The Nice. Hier weliswaar in een andere zetting maar het zit ondanks de aanpassingen nog steeds vernuftig in elkaar en klinkt meeslepend. Een 'all time favourite' en een mooie eindtune van dit album. Rest mij op te merken dat Repertoire Records deze re-issue uit 1998 in een prima verzorgde en mooie hoes heeft gestoken.
Lee Jackson sprak in datzelfde jaar de hoop uit op een reünie van The Nice. Inmiddels weten we dat die ook heeft plaatsgevonden, getuige de driedubbelaar 'Keith Emerson and The Nice, Vivacitas, Live at Glasgow 2002' . Na hernieuwde beluistering van 'King Progress' voor deze review, ligt de aanschaf van dat reünieconcert ter opluistering van de komende feestdagen in het verschiet. En laaf ik mij wederom aan melancholie en sentimentele gevoelens.
JoJo (12-2004)


Bezetting:
Lee Jackson - 6&12 string acoustic guitars, harmonica, vocals
Charlie Harcourt - electric guitar, spanish guitar, piano, organ, harpsichord, mellotron, vocals
Tommy Sloane - drums, congas, triangle, tymps, percussion
Mario Enrique Covarrubias Tapia - bass guitar, spanish guitar, vocals

Discografie:
King Progress (1970)
Ragamuffins Fool (1972)
Fifth Avenue Bus (1972)
Bump 'n Grind (1973)
Jackson Heights (1973)

Reviews J

Eddie Jobson - Theme of Secrets (1985)

Label: Private Music
Bandsite: www.eddiejobson.com
Duur: 40:52
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Wat is er toch geworden van Eddie Jobson? De unieke violist en toetsenist die speelde bij Curved Air, Roxy Music, Jethro Tull, Frank Zappa en natuurlijk bij de symfonische superformatie UK. Wat een illustere opsomming. En wat velen niet weten: hij maakte zelfs twee maanden deel uit van Yes ten tijde van het maken van het album '90125', is zelfs te zien in een video 'The Owner of a Lonely Heart' maar ruimde al snel het veld omdat men vanwege allerlei complexe juridische steekspellen rond de naam van de band wilde dat hij de toetsen deelde met Tony Kaye. En dat weigerde Jobson, uiteraard zou ik bijna zeggen. Dat was wel een belangrijk moment in 's mans carrière en betekende een cesuur in zijn progressieve loopbaan. Hij bekeerde zich op dat moment namelijk tot, zoals hij het zelf noemt, new age muziek en tekende bij Private Music tot welke stal ook Patrick O'Hearn (zie elders op deze site) behoort. Jobson maakte daar o.a. het hier besproken 'Theme of Secrets'. Nadien hoorden we nog maar weinig van hem maar enig onderzoekswerk leert dat hij zeer actief was en is en goed geld verdient met het schrijven van muziek voor films, documentaires en TV-series.
Gezien de zweverige bijsmaak van 'new age' noem ik het gebodene op 'Theme of Secrets' zelf liever electronische- of ambientmuziek. Dit album zie ik al jaren staan in allerlei ramsjbakken en ik kwam er nooit toe om het te kopen. Onterecht naar nu blijkt want ik vermaak mij er prima mee. Alle muziek op deze schijf komt uit de Synclavier Music Computer, een veelzijdig aan een computer gekoppeld keyboard dat begin jaren 80 als revolutionair werd beschouwd. Maar ook nu nog valt op wat een intrigerende en unieke geluiden Jobson uit dit instrument weet te halen. En het klinkt nergens klinisch, een euvel dat bij sommige musici in dit segment helaas regelmatig voorkomt. Integendeel zelfs. Zo stelt Peter Baumann (ex Tangerine Dream) in de hoestekst: "Music is not technique, not writing, not performance or studio tricks - it is the combination, the chemistry, the interplay of all of the elements which when they come together create the magic that true music is made of. A recording succeeds only if it evokes mental images and emotional response in the listener". En samen met Baumann concludeer ik dat Jobson daar volledig in slaagt. Vanaf de eerste tonen voert hij mij mee langs het gehele palet aan emoties, van glimlach tot verbazing, van blijdschap tot verdriet. Vooral de eerste drie tracks 'Inner Secrets', 'Spheres of Influence' en 'The Sojourn' staan model voor de magische wijze waarop hij in ieder geval bij mij de gevoelige snaar raakt en vele verschillende kleuren en beelden weet op te roepen. Verder valt op dat de meeste composities vrij complex in elkaar zitten met wisselende ritmes, tegenritmes, a-tonische fragmenten en meerdere lagen maar altijd harmonisch en warm. En soms schemeren er relikwieën uit de UK-periode door. Bij enkele tonen en akkoorden veerde ik soms op en dacht aan 'Alaska' van het eerste UK-album of aan 'Danger Money'.
Er is één minpunt te noemen maar dat reken ik Jobson niet aan. Namelijk dat hij de viool niet beroert op 'Theme of Secrets', want ook op dat instrument was hij virtuoos. Op dat punt moet ik het doen met zijn werk bij voornoemde bands en met de te koesteren herinnering en bijbehorende beelden van het concert dat ik ooit van Frank Zappa zag en waar Jobson niet alleen de toetsen aansloeg maar zo af en toe ook soleerde op viool. Jammer dat Jobson's pogingen vanaf 1996 tot het formeren van de band 'New UK' nooit succesvol zijn geweest. Dan hadden we ook nog eens van de man kunnen genieten op het progressieve spoor. Tot die tijd moeten we het doen met zijn bescheiden catalogus, maar met name met 'Theme of Secrets' kom ik die tijd zonder problemen door.
JoJo (10-2004)


Bezetting:

Eddie Jobson - Synclavier Music Computer

Discografie solowerk:
Zinc / The Green Album (1983)
Theme of Secrets (1985)

Reviews I

Iceberg - En Directe (1978)

Label: Actual Records
Bandsite: Info Iceberg
Duur: 35:07
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Eind jaren 70 tot half jaren 80 verbleef ik regelmatig bij 'amigos' in Spanje, in de buurt van Valencia. Wat mij in die tijd al opviel was dat Spanje een land is met een voorkeur voor symfo, prog en jazzrock. Doorgaans smaakvol vermengd met Iberische invloeden. Zo zag ik in die tijd, staande op het met stierenbloed doordrenkte zand, een live optreden van de geweldenaren van Triana in de arena van Valencia. Hun symfonische rock vormt een ijkpunt in de Spaanse muziekhistorie. En ook de hardrock van Miquel Rios vierde triomfen, zelfs bij het grote publiek. Een andere ikoon vormde de band Iceberg met jazzrock die refereert aan wat Brand X, toen nog met Phil Collins, in diezelfde periode liet horen. Helaas sijpelde de aldaar gemaakte progressieve rock slechts mondjesmaat door en bleef het allemaal wat obscuur. Eigenlijk is dat nog steeds zo. Het voorliggende live album 'En Directe' van Iceberg werd wèl regelmatig gedraaid op Spaanse radiostations, iets wat we ons in het licht van de erbarmelijke gesteldheid van de Nederlandse radio toch nauwelijks kunnen voorstellen. De opnames stammen van concerten in Madrid, Oviedo en Bilbao en zijn van een uitstekende, heldere geluidskwaliteit.
Het album opent wervelend en indrukwekkend met het 17 minuten durende 'Oh! Un ànec simfònic Ones', een track die niet zou hebben misstaan op 'Livestock' van Brand X en ook associaties geeft met The Mahavishnu Orchestra. De leden van Iceberg tonen zich hier meesters op hun instrumenten en spelen met een snelheid alsof hun leven ervan afhangt. Toch is dat geen doel op zich in de zin van "hoor eens hoe goed ik kan spelen", een euvel waar jazzrock weleens aan lijdt. De relatieve snelheid is eerder terug te voeren op de zo her en der in de track gebruikte ritmes uit de cultuur die 'flamengo' heet. Een topnummer.
De tweede track 'Cancó per qualsevol orquestra' ligt wat meer in de lijn van de jazzrock van het Japanse Casiopea. Hoewel je bij die gladde Japanners ieder moment verwacht onderbroken te worden door de verslaggever van 'Langs de Lijn' die de tussenstand bij 'NEC-Den Bosch' doorgeeft. Dat is geenszins het geval bij Iceberg die veel 'vuiler' klinken en dus minder 'easy listening'. De uitstekende solo op electrische piano laat invloed horen van Herbie Hancock. In 'Històries' laat men 10 minuten merken dat ook het componeren goed verzorgd is en klinkt het wederom als 'Brand X goes flamengo'.
Zijn er dan geen minpunten? Jazeker. Puntenaftrek krijgt men voor de lengte van het album - slechts 35 minuten - en voor het roekeloos wegdraaien van het publiek en het intro van wat track 4 had kunnen worden. Er was dus meer materiaal maar dat heeft het ooit, waarschijnlijk door de lengte van de LP's, niet gehaald. Jammer dat men daar niets aan heeft gedaan bij de release van deze CD. Wat overblijft is echter jazzrock van hoog niveau die de koper wellicht aanzet tot het verder ontdekken van wat er op het Iberische schiereiland gemaakt wordt aan prog, symfo en jazz. Veel plezier op deze zoektocht.
JoJo (12-2004)


Bezetting:
Joaquim 'Max' Sunyer - electric guitars
Josep 'Kitflus' Mas - electric piano, synthesizers
Jordi Colomer - drums
'Primi' Sancho - bass

Discografie:
Tutankhamon (1975)
Sentiments (1977)
Coses Nostres (1976)
Arc-en-Ciel (1978)
En Directe (1978)

Reviews I

In Nomine - Mutatis Mutandis (2000)

Label: Musea
Bandsite: In Nomine
Duur: 51:07
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Voor werkzaamheden moet ik regelmatig in Arnhem zijn. Vaak zet ik alle zeilen bij om een bezoek te brengen aan The Dollhouse in de Nieuwstad, een kleine zaak waar naast heavy metal, house en dance ook een bak met prog en symfo te vinden is. En daar vond ik Mutandis Mutandis van de Iberische band In Nomine. De Spaanse muziekscene ken ik met name via de jazz rock van Iceberg en de symfo van het geweldige Triana. Deze bands laten via de arrangementen of akkoorden horen waar hun roots liggen. Dat is geenszins het geval bij In Nomine. Er is bij hen geen enkele referentie aan Spanje te vinden. Ook de zang is bijna accentloos, wat niet van iedere mediterrane band kan worden gezegd.
Voor een debuut, de demo's niet meegerekend, is het een imposant album. De gehele databank aan prog en symfo wordt opengetrokken zodat associaties met Genesis, Yes, Gentle Giant, Marillion en IQ in optocht voorbij trekken. Daarin ligt tegelijkertijd ook de zwakte besloten. De band laat nog te weinig een eigen gezicht zien, maar dat zal een kwestie van tijd zijn. Het album trapt af met "Beetles of Concrete", een sterke track die herinnering oproept aan de Wind and Wuthering-periode van Genesis. Het nummer kent een doordachte en klassieke opbouw met afwisselend een hoofdrol voor de gitaar van de virtuoos spelende Fragas en de toetsen van Carrera. Het geheel eindigt in een bombastische finale, waarin de gitaar met veel arpeggio en hoog domineert. In "No Deal" lijkt het alsof Anderson en Squire als gasten meezingen. Knappe samenzang, een tot meezingen uitnodigend refrein op een bedje van jaren 70 symfo. Na het ongemerkt voorbijgaande "Spiritless Fellow" dompel ik mij steeds weer onder in het hoogtepunt van het album "Panem & Circenses". De track handelt over de paradoxen die je tijdens een avondje zappen op TV kunt tegenkomen: van plat amusement via minder platte blote dames tot aan hongersnood in Somalië. De daaraan verbonden wisselende emoties worden goed verbeeld in dit nummer en het leidt, zoals te doen gebruikelijk bij emoties, tot een climax waarin wederom de gitaar de scepter zwaait.
Via het akoestische intermezzo "Snowly", belanden we bij het 15 minuten durende "Le Cadavre Exquis". Dit uit vier delen bestaande epos legt weer vele relaties met de groten uit de symfo-historie en vindt wat mij betreft zijn top in het derde deel "Transit", waarin subtiel en ingetogen wordt gezongen. De track is nogal fragmentarisch van opzet en ik moet bekennen dat ik zelfs na vele malen luisteren de rode draad nog steeds niet heb kunnen ontdekken. Dat neemt niet weg dat het een indrukwekkend einde van deze CD vormt. Het art work lijdt - zoals zo vaak tegenwoordig - aan onleesbaarheid waarbij een loep uitkomst moest brengen.
Per saldo kan de vraag worden gesteld wat dit werkstuk toevoegt aan de rijke palmares van de symfo en prog. Voor wie vernieuwing zoekt, zal dit een tegenvaller zijn. Voor wie herkenning zoekt, is Mutatis Mutandis een warm bad. Bovendien voel je bij beluistering dat deze band meer kwaliteiten in zich heeft en de eigen lijn aan het zoeken is. Of deze gevonden zal worden zal - mutatis mutandis - de opvolger moeten uitwijzen.
JoJo (2003)


Bezetting:
Andres Carrera - all keyboards
Segando Gonzalez - electric & bass guitars
Esteban Fragas - electric & bass guitars, backing vocals
Leonardo Perez - drums, percussion

Reviews I

In Nomine - Mythos (2005)

Label: Musea
Bandsite: www.telefonica.net/web/innomine
Duur: 45:02
Reviewer: JoJo
Waardering: @ (uit max. 5 JoJo's)

Het debuutalbum 'Mutatis Mutandis' van In Nomine beviel mij wel (zie review elders in deze dBase ProgReviews). Hoewel er wat minpunten en aanloopproblemen aan kleefden, zag ik in deze Spaanse band een nieuwe, met enige potentie getooide loot aan de symfoboom. De bespreking sloot af met de constatering dat "deze band de eigen lijn aan het zoeken is. Of deze gevonden zal worden zal - mutatis mutandis - de opvolger moeten uitwijzen”.
Welnu de opvolger 'Mythos' teistert, na 5 jaar stilte, inmiddels de laserstraal.Het debuut richtte zich op min of meer klassieke symfonische rock zoals we die kennen van de grote namen uit het verleden. Op 'Mythos' heeft men de steven enigszins gewend en de koers gericht op de complexe ritmes, breaks en songopbouw à la Gentle Giant. Daarnaast worden er regelmatig citaten gebruikt van Bruford ten tijde van 'Gradually Going Tornado', een album waarop Jeff Berlin op gezette tijden bewust a-tonisch zong en ook de arrangementen regelmatig in de a-tonische en syncopische regionen verkeerden. Daarvoor heb je echter niet alleen hoogstaande speltechnische kwaliteiten nodig maar ook de competentie om te kunnen componeren. Als die kwaliteiten niet aanwezig zijn wordt 'a-tonisch' ronduit vals en gaat 'complexiteit' over in chaos en rommel. En daarmee heb ik de prestaties op 'Mythos' gekarakteriseerd: een niet te verwarren kluwen van geluid waarin de symbiose tussen de instrumenten en zang vaak volledig zoek is, valse tonen zeer regelmatig voorbijkomen en onverwachte breaks lachwekkend overkomen. Wanneer de tracks ontspoorden ben ik een aantal malen met gekromde tenen naar de laser gebeend om deze warboel af te zetten.
Mijn 'taak' als recensent is natuurlijk de lezer over releases en de afzonderlijke tracks te informeren en wellicht aan te zetten tot aankopen dan wel te behoeden voor miskopen. Ik laat echter het behandelen van de tracks of een deel daarvan achterwege omdat ik ervan uitga dat u met de bovenvermelde karakterschets van dit album voldoende weet: niet kopen, downloaden zou nog het verstandigst zijn want dan kunt u het na beluistering direct weer wissen. Sprak ik bij het debuut nog de hoop uit op een ontwikkeling van deze band in de goede richting, ik moet bij deze opvolger helaas andere slotwoorden kiezen. In Nomine: ik verwacht niet dat er ooit nog witte rook komt. Amen.
JoJo (04-2005)

Bezetting:
Julio Cesar Fragas - bass guitar & effects
Andres Gonzalez - all keyboards
Esteban Fragas - electric & spanish guitars, backing vocals
Leonardo Perez - lead and backing vocals, drums, percussion

Discografie:

Nicodemus Patri (demo, 1993)
Ten to Nine (live demo, 1995)
Mutatis Mutandis (2000)
Mythos (2005)

Reviews I

Isildurs Bane - Mind Vol. 4: Pass (2003)

Label: Ataraxia Productions
Bandsite: www.isildursbane.se
Duur: 56:34
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score aan JoJo's)

Toen ik 'Mind Volume 4: Pass' van het Zweedse Isildurs Bane deze week wederom in zijn geheel draaide was ik na de laatste tonen perplex. De eerdere luisterbeurten hadden hun voorbereidende werk gedaan en nu viel alles op zijn plaats.Ik heb enige seconden - of waren het minuten? - voor mij uit zitten staren. En vervolgens schoten mij allerlei gedachten door het verrukte hoofd: "hoe indrukwekkend", "een monument voor de progressieve muziek" en "wat ben je bevoorrecht als je zoiets kan maken". Eigenlijk zou ik deze recensie nu met wat afsluitende woorden kunnen afronden. De lezer zou reeds voldoende weten om naar de winkel te snellen. Maar laat ik er voor de vorm toch nog enkele maar in wezen overbodige woorden aan toevoegen.
Isildurs Bane is een band die al zo'n twintig jaar aan de weg timmert, een belangrijk deel van die periode onder de inspirerende leiding van Mats Johansson. Deze frontman neemt niet alleen het uitgebreide toetsenarsenaal voor zijn rekening maar schrijft het meeste materiaal en is doorgaans co-producer. Bovendien voert hij het beheer over het eigen platenlabel van Isildurs Bane. ' Mainly for one reason: We compromise within, not outside the group', zo motiveert hij de keuze om alles in handen van de band te houden. Daarmee maakt Isildurs Bane het zich niet gemakkelijk maar men creeërt op die wijze maximale artistieke vrijheid. En 'Pass' symboliseert dit op een ongeëvenaarde wijze door een explosie van creativiteit te laten horen.Het uit zestien tracks bestaande werkstuk heeft een repeterende opbouw. Een wat rustiger en doorgaans instrumentaal nummer wordt gevolgd door een langere track waarin vocalen een voorname rol spelen. Het is niet voor het eerst dat Isildurs Bane zang gebruikt – de band is ooit zo begonnen – maar in het vierluik 'Mind' was het niet gebruikelijk. Men stelt in de hoestekst 'By reintroducing lyrics the band is taking a step forward while at the same time taking a step back'.
'Pass' is wat toegankelijker dan zijn voorgangers in het vierluik o.a. door de overzichtelijker structuren van de tracks maar zeker ook door de toevoeging van zang. Nadeel daarvan is dat het typische eigen geluid van de band wat meer op de achtergrond raakt en de associaties met andere artiesten bij mij wat meer de boventoon voeren. Zo moet ik herhaaldelijk aan Peter Gabriel, The Blue Nile en Kate Bush denken. Deze laatste door de overeenkomst met de stem van met name zangeres Mariette Hansson. Op 'Pass' grossiert Isildurs Bane in spannende composities waarin onverwachte dingen gebeuren zoals 'Heal', 'Cage' en 'Eyes', ingetogen intermezzi en soms zelfs ambient landscapes in 'Halo' en 'Arch' en een kippevel veroorzakende afsluiter 'Ends'. De donkere en repeterende tonen van de synths en de 'deja vu' vocalen – alle refreinen van de tracks komen nog eens voorbij – zijn daarvan de oorzaak. Bovendien wordt er hoogstaand gemusiceerd waarbij de toetsen van Johansson maar ook de prachtige dwarsfluit van Björn J: son Lindh – de zoon van Par Lindh dus – een eervolle vermelding verdienen.
Isildurs Bane heeft met 'Pass' een subliem album afgeleverd dat in een heldere productie en een prima verzorgde hoes is gestoken. Maar dit leest u allemaal allang niet meer want u was na de eerste alinea al naar de platenwinkel gesneld. Stelde ik daar dat het een voorrecht is als je zoiets als 'Pass' kan maken, dan voeg ik er hier aan toe dat het een voorrecht is om zo'n werkstuk te hebben en op elk gewenst moment uit de kast te kunnen halen.
JoJo (3-2004)


Bezetting:
o.a: Klas Assarsson - drums and all sorts of percussion

J onas Christoph - electric guitar and other six string things
Christof Jeppson - vocals
Mariette Hansson - vocals
Fredrik Johansson - fretted and fretless basses
Mats Johansson - all digi-keyboards, treatments, samplers, authentic mellotrons, piano
Björn J: son Lindh - flute
Anna Lönnberg - vocals
Linnea Olsson - vocals, cello
Kjell Severinsson - acoustic drums, processes drumloops

Discografie:
Sagan om den Irländska älgen (1984)
Sea Reflections (1985)
Eight Moments of Eternity (1987)
Sagan om Ringen (1988)
Cheval (1989)
The Voyage - A Trip to Elsewhere (1992)
Sea Reflections/Eight Moments of Eternity (1992)
Lost Eggs (1994?)
Mind (1997)
Mind Vol. 2 Live (2001)
Mind Vol. 3 with the Metamorfosi Trio (2003)
Mind Vol. 4 Pass (2003
)

Reviews H

Roy Harper - Once (1990)

Label: Line Music
Bandsite: www.royharper.com
Duur: 41:40
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Roy Harper: singer/songwriter met maatschappijkritische teksten uit de folkhoek. Wat doet een recensie van zo'n artiest op een site die zich richt op progressieve rock? Welnu, het antwoord is meerledig. Deze artiest heeft zijn invloed doen gelden op Pink Floyd, op 'Once' spelen progressieven mee als David Gilmour en Kate Bush en de muziek heeft ontegenzeggelijk progressieve kenmerken. Reden genoeg om in deze rubriek een plaatsje te reserveren voor deze enigszins mystieke artiest met een omvangrijk oeuvre.
Roy Harper is sinds de jaren 60 bevriend met David Gilmour en de andere Floyds. Toen Harper begin jaren 70 een hele plaatkant vulde met één track, overtuigde hij daarmee de leden van Pink Floyd. Het gaf hen de moed om 'Meddle' te tooien met één hele plaatkant 'Echoes'. Een niet onbelangrijk historisch gegeven derhalve. Daarnaast is Roy Harper de zanger op 'Have a Cigar' van Floydklassieker 'Wish you Were Here' en trad hij live met hen op. Tenslotte schijnt het nummer 'Berliners' van het hier besproken 'Once' de inspiratie voor Gilmour's 'A Great Day for Freedom' te zijn geweest, zoals u ongetwijfeld weet een track van 'The Division Bell'. In een boek dat ik over Pink Floyd heb staat een citaat van engineer John Leckie: "They worshipped Roy , to Dave in particular Roy just couldn't do anything wrong". Kortom, de lijntjes tussen Floyd en Harper waren en zijn stevig.
Is er iets terug te vinden van deze relatie op het in 1990 verschenen 'Once'? Jazeker. Direct al in één van de hoogtepunten van deze schijf, het openings- en titelnummer. Die track begint met synths en piano – hoewel niet vermeld op de hoes – en daaroverheen het typische en excellerende geluid van Gilmour's gitaar. Alsof 'Shine on your Crazy Diamond' staat te beginnen. Daarna ontrolt zich een werkelijk schitterend nummer met een mysterieus thema, niet in de laatste plaats door de achtergrondzang van Kate Bush. Harper's stem en manier van zingen kent veel eigen kenmerken maar in dit nummer komen zowel de stemmen van Roger Waters als Peter Hammill bij mij op. Kippevel is wat rest na de laatste klanken.
Er zijn zo af en toe soundscapes, geluiden en stemmen op 'Once' te horen, waardoor de nummers geïntegreerd raken. 'Once in the Middle of Nowhere (Link)' is daar een voorbeeld van en vormt inderdaad de link naar 'Nowhere to run to'. Een door de akoestische gitaar gedomineerd nummer waarin Harper zijn gal spuwt over het leven. Getergd door de in die jaren over Salman Rushdie uitgesproken Fatwa, schreef Harper het nog steeds actuele 'The Black Cloud of Islam'. Een intrigerende en Dylaneske track waarin Harper op een gewaagde manier van leer trekt, op het gevaar af zelf onderwerp van een Fatwa te worden. Wat te denken van "I'm sick to the teeth of the news on the screen, of hisbullah scum and jihad the obscene. Whose men plant the bombs and then live feeling free, to watch woman and children killed on TV". En gaat hij verder "What kind of publicity needs so much blood that's not for some sad diabolical God, selling himself as a two-bit MacBeth as the expert in sentencing cousins to death". Overigens toont ook het dagboek op Harper's site zijn betrokkenheid bij en machteloosheid rond het permanente drama op het wereldtoneel. Hierna volgen nog zes uitstekende tracks, waarvan 'Berliners' en 'Ghost Dance' er uitspringen. Eerstgenoemde laat een kwade Harper horen die zijn akoestische gitaar keihard aanslaat en Gilmour die elektrisch het gevecht graag aangaat. Het pakkende refrein doet de rest. 'Ghost Dance' zorgt ervoor dat dit werkstuk net zo eindigt als het begon, namelijk met een hoogtepunt. Een compositorisch sterk nummer waar zoon Nick Harper de gitaar overneemt van Gilmour. Desondanks zitten er veel Floydinvloeden in deze track, met name door de Waters-achtige en declamerende manier van zingen.
Ik kan 'Once' aanraden aan een ieder die van pakkende muziek houdt waarbij de teksten ook iets wezenlijks te melden hebben. Bovendien beweegt Harper zich al tientallen jaren hoorbaar in de context van Pink Floyd. Alleen daarom al is dit een interessant werkstuk.
JoJo (2-2004)

Bezetting:

Roy Harper – vocals, guitars, harmonica, dulcimer
David Gilmour – electric guitars, blues guitar
Nick Harper – electric guitars
Tony Franklin – bass
Steve Broughton – drums
Kate Bush – backing vocals

Discografie (een selectie van high-lights uit de 35 releases):
Sophisticated Beggar (1967)
Flat Baroque and Berserk (1970)
Lifemask (1973)
HQ (1975)
Born in Captivity (1982)
Work of Heart (1984)
Once (1990)
The Dream Society (1998)
The Green Man (2000)

Reviews H

Helmet of Gnats – Helmet of Gnats (2004)

Label: Ambient Records
Officiële Site: www.helmetofgnats.com
Duur: 52:53
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

De leden van mijn ‘ingroup’ spraken vroeger onderling liefdevol maar assertief over ‘Pipo-muziek’ als het draaide om jazzrock en haar belendende percelen. De muziek van The Mahavishnu Orchestra, Brand X of de latere Soft Machine werd als vanzelf geassocieerd met onze nationale clown. De preciese reden weet ik niet meer maar het had in ieder geval te maken met de drukke en snelle manier van musiceren. “Sapperdeflap wat een gitaarsolo”, was steevast het commentaar. Of “De compositie is niet veel, maar wat kunnen die jongens spelen”. Het etiket ‘Pipo-muziek’ kwam als vanzelf weer boven water na beluistering van het debuutalbum, dat eigenlijk geen debuutalbum is, van Helmet of Gnats.
Helmet of Gnats speelt volledig instrumentale jazzrock met een symfonische toets. Dat doen zij al een jaar of vijfentwintig in wisselende bezettingen en hun eigenlijke debuut op CD vond plaats in 1996, hoewel zij toen nog ‘A Helmet of Gnats’ heetten. Referenties met ‘hedendaagse’ bands zijn Happy the Man, Sphere3 en Niacin maar dan in een beduidend relaxtere versie. Het geluid wordt gedomineerd door de gitaren van Chris Fox en de toetsen van Matt Bocchino, wiens orgel goed vet klinkt. Het geheel staat op een solide basis met hoekige ritmes.
Het titelloze album draait lekker weg en ondanks het feit dat het soms wat dringen is onder de laser – de ene solo wordt met de andere aangestoken – heb ik toch een aantal malen het gevoel gehad ongemerkt bij de eindstreep te arriveren. En daar ligt dan ook het kritiekpunt. Technische vaardigheid en een goed ontwikkelde ‘Pipo-competentie’ worden gepaard aan compositorische eenvormigheid en vlakheid. Boven het maaiveld steken uit ‘Almost Babylon’ en ‘Chimps in Space’. Eerstgenoemde doet denken aan de eerste solo-abums van Bill Bruford en kent een mooi melodisch ‘refrein’ en een lekkere hammondsolo. Laatstgenoemde duurt dertien minuten en biedt, alleen al door de lengte en ‘breaks’, gelukkig meer afwisseling in melodische lijnen en solo’s en houdt daardoor de aandacht beter gevangen dan de rest van het album. Het werkstuk ligt hier overigens voor mij in een SACD-uitvoering – voor de echte liefhebber – en is getooid in een intrigerende digi-pack. Ik ben er namelijk nog steeds niet achter wat het voorwerp op de hoes voorstelt en dat bevalt mij wel.
Resumerend heb ik hier te maken met een aangenaam album waarop knap gespeeld wordt – Mammaloe zou trots op ze zijn – maar dat de diepgang en gelaagdheid van genoemde referentiebands grotendeels mist. De muziek van Helmet of Gnats zal daarmee dreigen onder te gaan in de steeds maar uitdijende zee die ‘Het Meer van Hetzelfde’ heet en waar op de bodem de Waterlanders leven.
JoJo (03-2006)


Bezetting:
Matt Bocchino - keyboards
Mark Conese - drums, percussion
Chris Fox - electric and acoustic guitars
Wayne Zito - (fretless) bass

Discografie:
A Helmet of Gnats (1996; Out of Print)
Helmet of Gnats (2004)

Reviews H

Hostsonaten - Springsong (2002)

Label: Sublime
Bandsite: -
Duur: 45:03
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. aantal JoJo's)


Mensen proberen vaak muziek, literatuur of andere mensen onder te brengen in hokjes. Dat biedt houvast en het vergemakkelijkt de communicatie. Ik 'bezondig' mijzelf daar ook weleens aan: is het rechter- of linkerhersenhelft muziek? Rechts plaats ik 'gevoelige, poëtische en/of lyrische muziek', links veronderstel ik 'klinische, kille en/of door techniek gedomineerde muziek'. Bij "Springsong" van Hostsonaten is er geen twijfel mogelijk: zo rechts als het maar zijn kan. Sensitieve, pastorale muziek in symfonische sferen waarbij het gemakkelijk associëren is: bij iedere track doemen er beelden op van de kleuren van het jaar en van de natuur. Niet zo vreemd gezien de titel en de andere albums van het project Hostsonaten die eveneens een relatie leggen met de natuur.Alle muziek is geschreven door Fabio Zuffanti. Een bezig baasje bekend van o.a. Finisterre - zoals hij zelf zegt 'helaas ter ziele' - en La Maschera di Cera. Maar hij is ook actief in de belendende percelen van prog en symfo, zoals in de post-rock van laZona en de electronische muziek van Spazio en Quadrophonic waarin hij onze linkerhersenhelft bedient.Omdat Zuffanti zelf zeer ontevreden was over zijn zang op de andere werken van Hostsonaten is hier gekozen voor een volledig instrumentaal album.
Het album opent met "In the Open Fields" en met "Kemper/ Springtheme". Hoewel de thema's in beide tracks mij bekend voorkomen - waarschijnlijk gebaseerd op folk traditionals, al maakt de hoes daar geen melding van - klinkt het adembenemend mooi, is er een glansrol voor de viool van Caputo en refereren de 12-strings-gitaren aan Anthony Phillips. "Living Stone and 1st Reprise" vormt hierop een logisch vervolg, met verdienstelijk fluitspel van Biagini afgelost door prachtige vioolsolo's. Van het pastorale "She sat writing Letters on the Riverbank" raakt mijn rechterhersenhelft in vervoering. Het nummer zou zo een onderdeel kunnen zijn van de 'moderne' klassieke muziek van Arvo Pärt en het sluit in stijl af met een mysterieus gesproken woord van de overleden filmregisseur Andreij Tarkowskij.In "The Underwater and 2nd Reprise" worden jazzy akkoorden vermengd met een symfo-typische gitaarsolo. Het experimentele en psychedelische "Lowtide" gaat over in "The Wood is alive with the Smell of Rain", een nummer waarin een perfecte symbiose plaatsvindt tussen folk en symfo en een heerlijke hammond orgelsolo is te horen. En geloof me: u ruikt het bos. Zuid-Amerikaanse folk horen we in "Evocation of Spring", dat de voorbode is van het 13 minuten durende "Toward the Sea". In dit nummer en haar drie onderdelen komen alle muzikale invloeden die we in de voorgaande nummers hoorden tezamen en keert het "Springtheme" terug.
Een sterke en smaakvolle culminatie van een grandioos album, met name geschikt voor de late avond. Een laatste pluim op zijn hoed heeft Zuffanti te danken aan het prachtige art-work. Per track is een kaartje bijgevoegd met een afbeelding uit de "Bible of Borso D'este" uit het jaar 1400. Hoewel de plaatjes wat aan de zoete kant zijn en het goed zouden doen op een wandtegeltje, past deze hoes perfect bij het muzikale aanbod en teisteren hoes en CD op een aangename manier mijn rechterhersenhelft …….
JoJo (2003)


Bezetting:
Fabio Zuffanti - 12 strings guitar, bass
Sergio Caputo - violin
Francesca Biagini - flute
Agostino Macor - piano, moog, mellotron, organ
Frederico Foglia - drums, percussion
Stefano Marelli - lead guitar, 12 strings
Roberto Vigo - piano
Boris Valle - piano

Discografie:
Hostsonaten (1997)
Mirrorgames (1998)
Springsong (2002)
Springtides (2004)

Reviews H

Steve Howe & Paul Sutin - Voyagers

Label: Armoury Records
Bandsite:
Steve howe.com
Duur: 45:40
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Schreef ik dat luisteren naar hun vorige project 'Seraphim' een ware bezoeking was, dat is bij 'Voyagers' geenszins het geval. Eerstgenoemde album richt zich op slaapverwekkende new age zonder ziel en structuur. 'Voyagers' is echter een album geworden met een kop, een romp en een staart, duidelijke melodielijnen, een betere synergie tussen de keyboards van Sutin en het gitaarspel van Howe en wat meer stevigheid en ritmiek. Dit laatste ook door de inzet van drummer en zoon Dylan Howe.Het album opent met 'Sweet Eternity'. Zoals Steve stelt "that is my favourite track of the album, because it's a bit sentimental and very emotive". Dat omschrijft deze track goed en is per saldo een goede kenschets van het gehele album. De track doet denken aan Andreas Vollenweider die een snuifje Pat Metheny tot zich neemt. 'Telepathy' is eveneens een prima track waarin Howe zijn kunnen toont op de (steel)guitars, de jazz en rock elkaar vinden en, zoals de hoestekst laat weten, optillen naar een lekkere "new groove …. where New Age meets New Wave". 'Sanctuary' kent een latijnse basis en steekt goed in elkaar door een aardige afwisseling van wat complexere ritmes met wat licht symfonische toets- en gitaarklanken. Het titelnummer laat een lustig solerende Steve Howe horen, al ligt hier het 'neuzelgehalte' van het album 'Seraphim' weer enigszins op de loer. De gedachte aan zoetgevooisde Willem O'Duys muziek voor de zondagochtend doet dan weer opgeld. Een gevoel dat zich bij een aantal daaropvolgende tracks nog een aantal keren voordoet al is het thema in het lome 'Sonar Call' prachtig. Overigens steken 'Quantum Leap' - up tempo en relatief stevig - en 'Pied Piper' - lichte jazz-rock, al is het thema wat naïef en lullig - er nog bovenuit.
'Voyagers' refereert veel meer dan 'Seraphim' aan het solowerk van Steve Howe en kent een aantal piekmomenten daar waar jazz, new age en symfonische elementen elkaar raken. Op andere momenten dreigt het gevaar van 'easy listening' en zou vertoning als achtergrond in lift of supermarkt passend zijn. Maar alles overziende is dit een lekker album om op weg te dromen en houden de ritmes mij wakker. Bij het hierboven besproken 'Seraphim' lag ik al geruime tijd te snurken.
JoJo (03-2005)

Bezetting:
Steve Howe - all guitars and basses
Paul Sutin - keyboards, programming
Mike Marshall - keyboards
Dylan Howe - drums

Discografie:
Seraphim (1995)
Voyagers (2000)

Reviews G

David Gilmour - On An Island (2006)

Label:
EMI
Bandsite:
davidgilmour
Duur: 51:44
Reviewer: JoJo
Waardering:
@ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Na lange tijd is er gelukkig weer tastbaar nieuws van het Pink Floyd front: het derde soloalbum van David Gilmour, getiteld ‘On An Island’. Er zaten tweeëntwintig turbulente jaren tussen ‘About Face’ en deze nieuweling. Het zou niet rechtvaardig zijn naar deze levende legende om bij de beoordeling van ‘On An Island’ het Pink Floyd format als referentiekader te kiezen. Gilmour heeft immers niet voor niets gekozen voor een release op persoonlijke titel. En al doen zijn prachtige gitaarspel en karakteristieke stem direct denken aan zijn basisband - dat zit nu eenmaal geklonken aan zijn persoon - dit solowerk is te ‘laid back’ en te weinig experimenteel om, op een paar tracks na, een serieuze vergelijking met Floyd te kunnen doorstaan. Sterker nog, ‘On an Island’ zou nooit een Floydalbum hebben kunnen zijn. Dat referentiekader laat ik dan ook varen.
Gilmour heeft zich hier omringd met (muzikale) vrienden van voorname signatuur: onder anderen David Crosby, Graham Nash, Robert Wyatt, Phil Manzanera, Georgie Fame en … Richard Wright. Ook zijn vrouw Polly Samson speelt een rol door haar ‘back to basic’ teksten over liefde en relaties in brede zin. ‘On An Island’ is een gitaarplaat geworden waarop Gilmour laat horen wat een gigant hij is op zowel elektrische als akoestische gitaar. Toetsen, met name piano en orgel, zijn gedoseerd en vooral dienend aanwezig als begeleidingsinstrumenten. Hoofdaccenten in de arrangementen worden soms gezet door orkest c.q. strijkers.
Het album opent met ‘Castellorizon’, een track bestaande uit dreigende geluiden uit Gilmour’s gitaar, ijle stemmen, kerkklokken en een orkest waar ik de koude rillingen van krijg. Een prachtige verwachtingsvolle prelude die min of meer overloopt in het sterke titelnummer. Aanvankelijk een ballad, aangekleed met de stem van Gilmour en de typische samenzang van Crosby & Nash. Het nummer krijgt na een minuut of drie meer peper door een felle gitaarsolo van Gilmour, keert terug in de balladregionen om uiteindelijk de meester het laatste woord te geven. ‘The Blue’ is zeer ingetogen, een voortkabbelende track voor de late avond, met aan Toots Thielemans denkende mondharmonicatonen. We ontstijgen de rustige luchtlagen via de eruptie die ‘Take A Breath’ heet. Een pompend en opzwepend geheel, met single-aspiraties, dat de rest van de dag door het hoofd spookt. Het instrumentale en vrij korte ‘Red Sky At Night’ vormt welhaast een ‘soundscape’. De sax is wonderschoon en wordt bespeeld door Gilmour zelf. Dat kan hij dus ook. Het aansluitende ‘This Heaven’ is een lekkere blues met lichte countryinvloeden. De orkestarrangementen zijn aan de gladde kant en hadden meer dynamiek mogen hebben. Het is ook de laatste steviger track, terwijl er nog vier stukken volgen. Het album zakt hierna dan ook wat in. Niet de kwaliteit, het blijft allemaal uitstekend, maar ‘easy’ is het label dat ik erop zou willen plakken. Bijna alle tracks staan grotendeels in een langzame vierkwartsmaat en dan zitten we niet in de buurt van de up-tempo songs. Het instrumentale ‘Then I Close My Eyes’ is om op weg te dromen met een korte wakkere periode als Robert Wyatt een mooie cornetsolo laat horen. ‘Smile’ had van Paul McCartney kunnen zijn en is een miniatuurtje op akoestische gitaar met ingetogen begeleiding van keys en drums. ‘A Pocketful Of Stones’ vind ik prachtig, al zit ik tot aan het einde vergeefs te wachten op een climax die naar mijn mening tussen de akkoorden door wordt aangekondigd maar niet komt. Het slotwoord wordt gevormd door ‘Where We Start’. Wederom een ‘easy song’ met een pakkend gezongen refrein waarbij mee neuriën onvermijdelijk is. Als afsluiting vind ik dit soort rustige tracks minder geschikt. Stiekem had ik gehoopt op een orgastisch einde zoals Gilmour dat zo goed kan.
David Gilmour trekt zich op ‘On An Island’ van niemand iets aan en doet waar hij zin in heeft. Hij ontdoet zich, hopelijk tijdelijk, van de druk van Pink Floyd en kiest hier voor een ingetogen en ‘laid back’ format. Binnen dat format is er sprake van een uitstekend album. De hoes is mooi maar niet bijzonder en zou nooit een Floydcover kunnen sieren. Gilmour is ook daarin consistent afwijkend.
JoJo (03-2006)

Bezetting o.a.:
David Gilmour - vocals, guitars, piano, saxophone, percussion, bass, Hammond organ
Richard Wright - Hammond organ, vocals
Phil Manzanera - keyboards
David Crosby - vocals
Graham Nash - vocals
Robert Wyatt - voices, cornet, percussion
Chris Stainton - Hammond organ
Chris Thomas - keyboards
Georgie Fame - Hammond organ
Guy Pratt - bass
Willie Wilson - drums
Andy Newmark - drums

Discografie:
David Gilmour (1978)
About Face (1984)
On An Island (2006)

Reviews F

Faith No More - Album Of The Year (1997)

Label: Slash Records
Bandsite:
Fnm.com
Duur: 43:06
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)


In mijn werk maak ik weleens gebruik van 'The Paradox Box' met daarin allerlei illusies. U kent die plaatjes wel. Eerst zie je niets of iets anders, bijv. inktvlekken, maar na een goede observatie doemt er een woord op. Of je ziet een witte uitsnede in een zwart vlak maar na geduldige waarneming vallen er twee gezichten en een vaas op het netvlies. Niets is wat het lijkt, is daarbij het uitgangspunt. En dat is een motto dat ik graag van toepassing zou willen verklaren op de muziek van Faith No More in het algemeen en het 'Album of the Year' in het bijzonder. Is dit wel prog vroeg ik mij prima vista af? Is het niet gewone recht-toe-recht-aan-rock? Moeten we daar wel aandacht aan willen besteden op ProgLog AFTERglow? Maar na rustige verwerking van de klanken van deze band, opende zich een doos van Pandora met een schat aan dubbele bodems, syncopische accentwisselingen en 'verborgen' ritmes. Pas na verloop van tijd smolten de songelementen samen tot een integraal beeld en kwam ik tot een andere conclusie: niets is wat het lijkt, dit is progressieve muziek in alle voegen en naden! En toen die conclusie volgde was aanschaf van de catalogus van Faith No More onvermijdelijk, evenals aandacht daarvoor op deze site.

Het intrigerende 'Album of The Year' bevat twaalf tracks waarin een aantal dingen opvalt. Zo blinkt de band ook hier uit in het fuseren van uiteenlopende muziekstromingen zoals grunge, house en rap vooral door de manier van zingen, rock en metal. Op een aantal andere albums horen we zelfs klassieke citaten en jazz voorbijkomen. Door de curieuze manier waarop deze ingrediënten gekneed en gemengd worden, ontstaat een typisch eigen geluid dat kan worden geplaatst in het hardere segment van de progressieve rock. Ook blijkt de geweldige zanger Mike Patton in staat te zijn, zijn stem op te rekken van balladachtige zang tot aan grunge grenzende uitspattingen. In het oor springen ook de geweldige keyboards. Roddy Bottum zet niet alleen dreigende en soms bijna a-tonische toetspartijen neer maar hij blijkt ook een meester in de dosering. Goed getimede synth- en pianoaccenten, nergens teveel en toch kenmerkend voor de diverse tracks. Ten slotte grossiert de band in weirde, angstwekkende en tot nadenken aansporende hoezen. Shockerend soms, dode beesten, onsmakelijke lappen vlees, getekende 'vieze' voorwerpen waarvan je je blijft afvragen wat ze voorstellen. En op de hoes van 'Album of the Year' zien we een aardig ogende opa met een bosje bloemen, vriendelijk kijkend uit het raam van een trein. Aardige opa? Tomas Garrigue Masaryk zult u bedoelen, de eerste nogal aristocratische president van het in 1918 onafhankelijk geworden Tsjechoslowakije, op weg naar zijn einde. De illusie gaat dus ook hier op.
Voor een ieder die houdt van enigszins weirde progmuziek die pas na meerdere draaibeurten zijn schatten prijsgeeft, die symbolisme in tekst, melodie en beeld waardeert en die er van houdt op het verkeerde been te worden gezet door muzikale verrassingen en onverwachte wendingen, kan ik Faith No More en 'Album of the Year' van harte aanbevelen. Want niets is wat het lijkt.
JoJo (9-2004)


Bezetting:

Mike Bordin - drums
Roddy Bottum - keyboards
Billy Gould - bass guitar
Jon Hudson - guitar
Mike Patton - vocals

Discografie:
We Care a Lot (1985)
Introduce Yourself (1987)
The Real Thing (1989)
Angel Dust (1992)
King for a Day (1995)
Album of the Year (1997)
Live at the Brixton Academy (1998)

Reviews F

Fantômas - Delìrium Còrdia (2003)

Label: Ipecac Recording
Bandsite:
Southern.net
Duur: 55:10 (+ 20' uitloopgroef)
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


'Avant-garde-prog' bestaat die stroming eigenlijk wel? Zo niet, dan verzin ik het hierbij, want dat is een etiket dat de muziek van Fantômas het best beschrijft. Fantômas is de band van de uitstekende zanger Mike Patton van de reeds enkele jaren ter ziele zijnde band Faith No More (zie review elders op AFTERglow)). Laatstgenoemde band had ten tijde van haar bestaan reeds de aandacht van John Zorn, die zich ook al beweegt in avant-gardistische buitenwijken maar dan van de jazz. Na zijn successen met Faith No More is Patton min of meer in de scène van Zorn terechtgekomen en dat is op 'Delìrium Côrdia' duidelijk te horen want het album lijkt zijn voedingsbodem te vinden in de 'Film Works'-cyclus van Zorn. Een cyclus die echter op een hoger plan staat dan hetgeen op 'Delirium Corda' wordt geboden.
Wie hier de machtige uithalen en kreten van Patton verwacht komt van een koude kermis thuis. Patton zingt helaas slechts sporadisch op deze schijf en beperkt zich dan ook nog tot ingetogen zang dan wel vreemde geluiden. Het geheel bestaat uit één track van zo'n 55 minuten (zonder de 20 minuten uitloopgroef) getiteld 'Surgical Sound Specimens of the Museum of Skin', een track die vervolgens weer is opgedeeld in vele fragmenten. Geluidsscherven die gevuld worden met een kakafonie aan akkoorden voortgebracht door gitaren, drums en keys dan wel gevuld worden met verstilde tonen, stemmen en gesprekken. Geluidsscherven die, zo vermoed ik, allerlei uiteenlopende menselijke stemmingen en emoties proberen te verbeelden. Hetgeen soms goed, maar vaker net of net niet lukt. De fragmenten waarin percussie en stemmen op de ondergrond van een mysterieuze en repeterende basistoon worden gezet, spreken mij het meest aan. Ze voeren je door de herhaling mee naar de krochten van de eigen psyche maar als je daar net aanbeland denkt te zijn, wordt de zoektocht abrupt en hinderlijk onderbroken door een volgend fragment. Enige irritatie maakt zich op die momenten van mij meester. Hoe mooi zou het zijn als die sequence zich had voortgezet? En helaas doet zich dat niet incidenteel maar vele malen voor op dit album. Zoals Patton zelf zegt "Ambience is followed by chaos and confusion". Dat mag, maar de verbindende schakels ontbreken. Dit vormt derhalve een minpunt.
'Delìrium Côrdia' is gestoken in een schitterende hoes, al zullen anderen het wellicht karakteriseren als walgelijk. In ieder geval is een sterke maag vereist want de hoes is opgeleukt met kraakheldere foto's van tumoren, opgetilde ogen, schedellichtingen en open wonden. Ook de muziek vereist een sterke maag en zal niet door iedere progfan worden gewaardeerd. Dit soort experimentele en freaky muziek spreekt mij op z'n tijd wèl aan en is hier voldoende tot goed neergezet door Patton cs. In ieder geval goed genoeg om ook de rest van de catalogus van deze band te onderzoeken. Al moet ik zeggen dat avant-garde meesters der herhaling als Steve Reich, Morton Feldman, Philip Glass maar ook John Zorn zèlf, veel beter dan Fantômas in staat zijn om de geluidsscherven en fragmenten aaneen te lijmen tot één geheel. 'Los zand' is dan ook de gedachte die ook na herhaalde beluistering van 'Delìrium Côrdia' bij mij op blijft komen. Of zou het net als bij Faith No More zo zijn dat niets is wat het lijkt?
JoJo (10-2004)

Bezetting:
Mike Patton - vocals, all other instruments
Buzz Osborne - guitars
Trevor Dunn - bass
Dave Lombardo - drums, percussion

Discografie:
Fantômas (1999)
The Directors Cut (2001)
FantômasMelvins BigBand: Millenium Monsterworks (2002)
Delìrium Côrdia (2003)

Reviews F

Fates Warning - FW X (2004)


Label: Metal Blade
Bandsite: Fateswarning
Duur: 52:17
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Mijn eerste kennismaking met Fates Warning dateert van het excellente album 'A Pleasant Shade of Grey' uit 1997 waarvan de titelsong mij nog steeds laat zinderen. De band opereert in het progsegment waarin ook o.a. Dream Theater, Queensryche en Shadow Gallery zich bewegen. Eindelijk komen ze na een aantal jaren weer met een studio album, het tiende, vandaar de titel 'FW X'. Waarin de verzamelaars en live-registraties dus niet zijn meegerekend. In de tussenliggende periode hield frontman Jim Matheos zich o.a bezig met het intrigerende project 'The Office of Strategic Influence' (OSI), tesamen met o.a. Steven Wilson, Kevin Moore en Mike Portnoy. En dat is te horen. Op 'FW X' zijn zowel in de sound, de experimentele uitstapjes als in de arrangementen duidelijke relikwieën van OSI te bespeuren. In die zin vormt dit sideproject een belangrijke stap in de persoonlijke ontwikkeling die Matheos zowel als producer en componist heeft doorgemaakt. Het zijn vooral de experimentele geluiden (geruis, stemmen, geroffel, piepjes en bliepjes) en de relatief ingetogen intermezzi in en tussen de nummers die ervoor zorgen dat er één geheel ontstaat en die je de sensatie geven naar een album met een kop, een romp en een staart te luisteren.
Het in een schitterende hoes gestoken 'FW X' opent sterk met de akoestische gitaarklanken van 'Left Here' waarna de band op geheel eigen wijze stevig van leer trekt. Een heerlijke repeterende gitaarriff, à la Black Sabbath 's Tony Iommi, geeft de track zijn gezicht. 'Simple Human' laat de OSI-invloed horen en herbergt voor de goede luisteraar veel verrassingen. Ray Alder laat horen een prima zanger te zijn, al klinkt zijn stem soms wat vlak en krijg ik zo her en der het benauwde gevoel dat hij naar adem hapt. Maar per saldo is het een zanger die goed past bij dit soort muziek. Het verrassingselement geldt ook voor het met Oosterse invloeden getooide 'River Wide Ocean Deep' dat ik een hoogtepunt vind. Een spannende compositie die opbouwt naar een climax met vaardig gitaarwerk van Matheos en sturend bas en drumwerk van Vera en Zonder. Na het relatief rustige 'Another Perfect Day' met een aanstekelijk refrein en het in de lijn van OSI liggende 'Heal Me', volgt het mysterieuze en korte intermezzo 'Sequence'. De overige vier nummers zijn allen bovenmodaal. Wel denk ik dat een ruimhartiger gebruik van de keyboards de tracks op een nog hoger progressief niveau had kunnen brengen. Het stuwende 'Wish' sluit de schijf waardig af.
Fates Warning heeft met 'FW X' een coherent album afgeleverd met een ideale en aantrekkelijke lengte, prima songs, een goede dosering van steviger stukken en rustiger passages, een technisch kundige uitvoering en in zijn geheel geplaatst op een licht experimentele ondergrond. En dat bevalt mij wel.
JoJo (12-2004)

Bezetting:
Ray Alder - vocals
Jim Matheos - guitars, keys, programming
Joey Vera - bass
Mark Zonder - drums

Discografie:
Night on Brocken (1994)
The Spectre Within (1985)
Awake the Guardian (1986)
No Exit (1988)
Perfect Symmetry (1989)
Parallels (1991)
Inside Out (1994)
Chasing Time (1995)
A Pleasant Shade of Grey (1997)
Still Life (1998)
Disconnected (2000)
FW X (2004)

Reviews F

The Flower Kings - Adam & Eve (2004)

Label: Inside Out Music
Bandsite: Flowerkings
Duur: 79:15
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Hoewel ik al eerder soortgelijke problemen ondervond ben ik na het album 'Rainmaker' afgehaakt bij The Flower Kings. Tijdelijk naar nu blijkt. Ik vond hun werken eenvormig worden, composities raakten uitwisselbaar en de declamerende en overdadig articulerende stem van Roine Stolt gaf alle composities dezelfde kleur. Tel daarbij op de lengte van de albums en de te hoge frequentie van releases van zowel The Flower Kings, Kaipa, Transatlantic als de aanverwante solo-projecten, en overbelasting was niet moeilijk te voorspellen. Vermoeid en overeten nam ik dan ook afscheid na een respectabel aantal jaren. Mijn interesse werd echter weer gewekt – want ik volgde de heren uiteraard wel – toen ik las dat men naast Stolt een extra zanger had aangetrokken, te weten Daniel Gildenlöw (Pain of Salvation). Bovendien zou oudgediende Hans Fröberg meer gaan zingen. Dat moest tot meer variatie leiden, zeker als Gildenlöw naast zijn stem ook nog een vinger in de compositorische pap zou kunnen krijgen. "The proof of the pudding is the eating" en dus werd hun nieuweling 'Adam & Eve' aangeschaft.Welnu, de pudding is van een goede kwaliteit en laat een andere smaak na op de tong. De variatie in stemmen en de toevoeging van meer rustpunten in de composities, zijn daar zeker de oorzaak van.
Het album opent overweldigend met het strak klinkende en met veel wendingen getooide 'Love Supreme' en liet mij zelfs na eerste beluistering in verwarring achter. Het is twintig minuten symfonische rock op topniveau, al begrijp ik niet waarom de gitaar van Stolt ergens rond minuut vier ineens moet klinken als Steve Howe en de toetsenriedel erna als een letterlijk citaat van overbekende Wakemanakkoorden. Ik vraag me dan altijd af hoe zoiets in de studio tot stand komt. Maar goed, die 'foute' minuut mag de pret niet drukken. 'Cosmic Circus' en 'Babylon zijn evenwichtige maar niet bijzonder opvallende nummers, waarin ik de drums van Csorsz rommelig vind klinken. Een drummer die ik overigens over de gehele linie technisch en creatief minder vind dan Jamie Salazar in het verleden.
Een theatraal gedrocht waar Joop van den Ende blij mee zou zijn in een musical is 'Vampire View'. Het overdreven articuleren van Gildenlöw is irritant en lachwekkend, al begrijp ik best dat hij een vampier wil nadoen. Het refrein is op zichzelf sterk. Het voorspelbare bolero-einde past volledig in het theatrale raamwerk. Een dieptepunt op deze schijf. Gelukkig volgt een heerlijk rustpunt in het door Erik Satie geïnspireerde 'Days Gone By'. Na de nogal simpele maar lekkere rock van het titelnummer volgt 'Starlight Man', een heerlijk puntig en melodieus popnummer waarin de invloed van Yes ten tijde van 'Roundabout' dominant is. Het spannende en bluesy 'Timelines' is doortrokken van prachtige mellotrons. Het achttien minuten durende en epische 'Drivers Seat' kan mij echter nog steeds na vele draaibeurten niet volledig bekoren. Er zitten prachtige symfonische en progressieve elementen in, maar die elementen staan relatief los van elkaar en worden daardoor helaas fragmenten. De tonale rode draad ontbreekt dus maar de heren zijn technisch wel zeer vaardig bezig. Het afsluitende 'The Blade of Cain' is goed maar weinig opzienbarend.
Adam & Eve' draait lekker weg en zal nog vaak de laserstraal sieren. Het album klinkt door de invloed van Gildenlöw en de variatie in zang anders maar heeft nog steeds de sound van The Flower Kings. Hoewel ik bijna tachtig minuten veel te lang vind om de aandacht vast te houden, leidt de toevoeging van meer rustpunten tot minder luistermoeheid. Wat mij betreft mogen The Flower Kings op deze voet verdergaan en dan kunnen zij mij en andere afvalligen weer definitief in de armen sluiten. Mits ze die theatrale ellende achterwege laten.
JoJo (8-2004)

Bezetting:
Roine Stolt - Vocals, electric & acoustic guitars
Tomas Bodin - Keyboards
Hasse Fröberg - Vocals
Daniel Gildenlöw - Vocals
Jonas Reingold - Basses Z
oltan Csörsz - Drumkit
Hasse Bruniusson – Percussion

Discografie:
The Flower King (Roine Stolt, 1994)
Back In The World Of Adventure (1995)
Retropolis (1996)
Stardust We Are (1997)
Flower Power (1998)
Alive On Planet Earth (1999)
Space Revolver (2000)
The Rainmaker (2001)
Unfold The Future (2002)
Meet the Flower Kings - Alive Recording (2003)
Adam & Eve (2004)
Paradox Hotel (2006)

Reviews F

Frameshift - Unweaving the Shadow (2003)

Label: Progrock Records
Bandsite: Frameshift.progrockrecords
Duur: 79:32
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Ieder mens zou het boek 'De Blinde Horlogemaker' moeten lezen van Professor Richard Dawkins. Verplichte kost wat mij betreft. Hoewel het niet gemakkelijk te lezen is, het gaat de wetenschappelijke diepte in, zet het de eigen denkwereld op z'n kop. Na lezing kijk je anders naar mensen en naar de menselijke context. Bovendien heeft het boek, net als andere werken van deze excentrieke wetenschapper, het denken over de evolutie van het zoogdier 'mens' danig veranderd. 'Unweaving the Shadow' is één van de revolutionaire werken van Dawkins en naar dit boek is dit album van Frameshift vernoemd. Bovendien is iedere song gebaseerd op een hoofdstuk van het boek.Frameshift is een samenwerkingsverband tussen de Oostenrijkse multi-instrumentalist Henning Pauly, ook bekend van de band Chain en maker van filmmuziek, en James LaBrie van het inmiddels overbekende Dream Theater. Aangevuld met Eddie Marvin op drums.
Toen ik de schijf mee naar huis nam had ik een diffuus gevoel van onrust. Een stemmetje in mij zei dat het weleens tegen zou kunnen vallen. Zo staan er immers meer in de kast. Impulsaankopen die beter achterwege hadden kunnen blijven. Mijn gevoel liet mij in deze echter in de steek want 'Unweaving the Shadow' blijkt een juweeltje te zijn. Vanaf de eerste track 'Above the Grass Part 1' , dat op een later moment wordt gecompleteerd met 'Part 2' , valt niet alleen het technische kunnen van Pauly en Marvin op. Wat dit album laat uitgroeien tot boven de te goed gevulde progmiddelmaat, zijn de strakke composities met hoekige en eigentijdse ritmes en pakkende refreinen, het vernuft waarmee in de tracks meerdere lagen zijn aangebracht en de uitstekende heldere en open productie. En natuurlijk de stem van LaBrie. Wat een groei heeft deze man doorgemaakt. Vond ik hem vroeger een wat vlakke stem hebben, hij is nu op een punt aanbeland waarop hij diepte en kracht laat horen en ingrijpende en subtiele stembuigingen moeiteloos op elkaar laat volgen. Bovendien bevat dit album mooie meerstemmige bijna a cappela fragmenten van LaBrie. De smaakvolle en goed gedoseerde afwisseling tussen de hardere en complexere stukken en de rustiger passages en tracks zoals 'Your Eyes' en 'River Out of Eden' met akoestische gitaar, vreemde geluidjes en tegenritmes, maken deze diamant in al zijn facetten compleet.
Uitschieters zijn verder 'Message from the Mountain' met zijn verrassende opbouw, breaks en symfonische arrangementen à la Yes , 'Nice Guys Finish First' dat handelt over het psychologische experiment 'The Prisoners Dilemma', alsmede de tracks 'Origins and Miracles' en 'Off the Ground' met name door de hogere stemkunst van LaBrie.
Frameshift is een samenwerkingsverband met toekomst en vormt een toegevoegde waarde in het overvolle progressieve segment. De band kan worden gezien als een relatief rustiger en symfonischer Dream Theater en heeft met 'Unweaving the Shadow' aangetoond dat mijn voorgevoel mij op het verkeerde been zette. Gelukkig maar.
JoJo (10-2004)

Bezetting:
Henning Pauly - electric and acoustic guitars, bass, piano, B3, synthesizer, banjo, hand percussion, loop programming and orchestration
James LaBrie - vocals
Eddie Marvin - drums
with
Nik Gaudagnoli - additional bass, chapman stick, wah pedals, vocal arrangements
Steve Katsikas - saxes

Discografie:
Unweaving the Shadow (2003)
An Absence of Empathy (2005)

Reviews E

Echolyn - The End is Beautiful (2005)

Label: Velveteen
Bandsite:
echolyn.com
Duur: 55:50
Reviewer: JoJo
Waardering:
@ @ @ @ @ (max. score JoJo's)

Als fervent liefhebber van progressieve muziek in het algemeen en van jaren zeventig icoon Gentle Giant in het bijzonder, valt de Amerikaanse band Echolyn niet te missen. Want Echolyn heeft het laatste anderhalve decennium nogal wat neergezet.
De band begon wat aarzelend in 1991 met ‘Echolyn’. Gelukkig maar want bands die direct met een meesterwerk op de proppen komen vallen nadien vaak in een groot en zwart gat. Opvolger ‘Suffocating the Bloom’ liet echter al groei horen naar een doordacht eigen geluid. In de navolgende vier werken werd deze ontwikkeling doorgezet met als tussentijds hoogtepunt het prachtige ‘Mei’ uit 2002. De werkwijze bleef al die jaren hetzelfde: improvisatie als startpunt en invalshoek voor de uiteindelijke melodielijnen en arrangementen. Ook op hun nieuwste album, waar de tracks vaak zijn ontstaan vanuit de ritmes die door drummer Paul Ramsey zijn neergelegd tijdens studio- en/of live-improvisaties. Wat ook stabiel bleef in de tijd was de hoorbare invloed van Gentle Giant. Complexe ritmes en breaks, parellelspel tussen gitaar en keys en a-tonische (samen)zang zijn daar de belangrijkste uitingen van. Hoewel de reus aardig bleef, maakte Gentle Giant een wending naar steviger progrock. Wederom een parallel want ook Echolyn, waar overigens bassist Tom Hyatt terug is als vast lid, klinkt op ‘The End is Beautiful’ soms harder en minder lieflijk dan op ‘Mei’.
De Amerikanen komen overtuigend uit de startblokken met ‘Georgia Pine’, waarvan het door de ritmegitaar gedomineerde thema en het aanstekelijke refrein lang blijven doorzingen. Zo ook de gierende, ouderwets klinkende synthesizersolo. ‘Heavy Blue Miles’ handelt over de manier waarop angst door politici, godsdiensten en de media wordt gebruikt c.q. misbruikt om ons geweten en gevoel te manipuleren. Het is een wonderschone naar een climax opgebouwde track met veel verrassingen en met de ‘comeback’ – in 1993 deed men dat al eerder - van een volledige blazerssectie die het geluid nog meer ‘body’ geeft. Hetzelfde geldt voor een ander hoogtepunt ‘Lovesick Morning’ - wie kent dat gevoel niet - waarin de romantiek zowel in tekst als muziek een grote rol speelt. Luisterend naar ‘Make Me Sway’ doemt een wellicht verrassende vergelijking met de bijzondere muziek van Faith No More op. Er wordt gezongen à la Mike Patton en de strakke, harde ritmes herinneren aan deze band. Ook op andere momenten heb ik die associatie zoals in ‘So Ready’. In de titeltrack, in ‘The Arc of Descent’ en in afsluiter ‘Misery not Memory’ stijgt de band tot grote proghoogtes. Vooral het geweldige orgelspel van Buzby, de symfonische vocale arrangementen en het aanstekelijke samenspel vallen op.
Na het geweldige ‘Mei’ had ik mijn twijfels of Echolyn erin zou slagen het hoge niveau vast te houden en tevens nog een stap vooruit te zetten. Alle complimenten aan de band want het is in alle opzichten gelukt. Een meesterwerk laten volgen door een meesterwerk is niet iedereen gegeven. En er zit nog groei in. De uiteindelijke bestemming zal prachtig zijn.
JoJo (09-2005)

Bezetting:
Christopher Buzby - keyboards, backing vocals
Brett Kull - guitars, lead and backing vocals
Paul Ramsey - drums, percussion, backing vocals
Ray Weston - lead and backing vocals
Tom Hyatt - bass, backing vocals

Discografie:
Echolyn (1991)
Suffocating the Bloom (1992)
…And every Blossom (1993)
As the world (1995)
When the Sweet Turns Sour (1996)
Cowboy Poems Free (2000)
Mei (2002)
ProgFest '94: The Official Bootleg (2002)
Official Live Bootleg: Jersey Tomato (2003)
As the world (reissue) (2005)
The End is Beautiful (2005)


Reviews E

Egg - The Polite Force (1970)

Label: Sunrise Records
Bandsite: -
Duur: 42:43
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Als progadept kent u uiteraard de bekende namen uit de Canterbury-scene zoals Caravan, Hatfield and the North, National Health en Soft Machine. Maar ook het minder bekende Egg hoort in deze illustere opsomming thuis. Egg vormde na Uriel de tweede band van Dave Stewart, op een later moment in zijn carrière toetsenspeler bij bijna alle bovengenoemde grote namen. Het etiket 'Canterbury sound' is indertijd bedacht door recensenten en fans om hun eigen gedachten ordenen. Zoals we in Nederland de 'palingsound' kennen, doelend op de muziek die uit Volendam en omstreken komt. Ik heb weleens gelezen dat Pye Hastings van Caravan niet blij was en is met dit etiket. Toch is het niet alleen een ordeningsprincipe maar wat mij betreft bestaat de Canterbury-sound wel degelijk. En dat weet Pye natuurlijk als geen ander. Het valt toch niet te ontkennen dat als we naar genoemde bands luisteren er een duidelijke overeenkomst is waar te nemen in de opbouw van de tracks, de manier van zingen, het typische geluid van het orgel, de produktie en de sfeer die de nummers oproepen. Zo ook bij Egg. Laat mij het horen zonder uitleg en ik zou hebben geraden waar de band vandaan komt. En dat zegt niets over mij, maar wel over de sound van de band. En dan laat ik de verschillende personele vertakkingen en verbindingen die er in de Canterbury-stamboom zitten nog buiten beschouwing.
Egg heeft begin jaren 70 drie albums afgeleverd. Het hier besproken 'The Polite Force' is de tweede. De band laat zich op deze schijf horen als een 'Hatfield and the North avant la lettre', met daaroverheen een jazzy-saus met name veroorzaakt door het gebruik van blazers en de manier van zingen van Mont Campbell. Het album begint overrompelend met 'A Visit to Newport Hospital' dat bestaat uit een stevig thema, afgelost door een rustiger intermezzo met zang en prachtig karakteristiek orgelspel van Dave Stewart. De jazzy-indruk die het nummer achterlaat roept associaties op met Brian Augers Oblivion Express. De tekst handelt over het leven als min of meer beginnende muzikanten. Een leven dat met name bestaat uit het hangend in de achterbak van de bestelauto op weg zijn van café naar muziekzaal op het Engelse platteland: 'we ate and loved and slept and no-one was to blame'. 'Contrasong' is een up-tempo nummer dat gedomineerd wordt door een blazerssectie onder leiding van de in psychedelische kringen beruchte tenorsaxofonist Bob Downes. Campbell zingt alsof hij op de hielen wordt gezeten en het lijkt wel alsof hij de tekst 'rapt', al was dat toen nog niet uitgevonden. Een knap nummer.
Het doortrekken van een toilet markeert de start van 'Boilk', een experimentele track waarin een thema van Bach is verwerkt. Het is zo'n typisch psychedelisch nummer zoals men dat alleen maar in die tijd kon maken. Het zou niet misstaan hebben op de setlist van de vroege Pink Floyd. Ronduit indrukwekkend is het 20 minuten durende instrumentale 'Long Piece No. 3'. Hier komen complexiteit en experiment samen, hetgeen bijna niet anders dan kan resulteren in een avant-gardistisch geheel dat meerdere malen moet worden beluisterd voordat de geheimen worden prijsgegeven. En natuurlijk staat daarin het heerlijke hammondgeluid van Dave Stewart centraal.
'The Polite Force' is een niet gemakkelijk werkstuk dat door de liefhebbers van de Canterbury sound niet mag worden gemist in de verzameling. Het maakt de chronologische lijnen tussen de diverse bands goed zichtbaar. Bovendien is het na enige draaibeurten in alle opzichten genieten.
JoJo (2003)


Bezetting:
Mont Campbell - bass, vocals
Dave Stewart - organ, piano
Clive Brooks - drums

Discografie:
Egg (1969)
Polite Force (1970)
Civil Surface (1974)
Seven is a Jolly Good Time (compilatie van het eerste album en singles) (1985)



Reviews E

Ensemble Nimbus - Scapegoat (1998)

Label: Record Heaven
Bandsite: Recordheaven.net
Duur: 49:14
Reviewer: JoJo

Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Er zijn van die hoezen waar je naar blijft kijken. En waarop je zelfs na jaren turen nog nieuwe details ontdekt. Die beeldervaring heb ik bijvoorbeeld met de sprookjesachtige hoezen van Wise after the Event van Anthony Phillips, Bilbo van Par Lindh, Nursery Cryme van Genesis en The Services of Mary Goode van Janison Edge. De hoes van Scapegoat van Ensemble Nimbus kan daaraan worden toegevoegd. Een surrealistisch geheel gebaseerd op een schilderij van Bert Johnny Nilsson. Hoewel de hoes van Scapegoat wat minder gelaagd is dan de hierboven genoemde hoezen, blijft het mij intrigeren. Jammer dat de beelddetails in het boekje door uitvergroting aan scherpte hebben ingeboet. Maar de voorzijde blijft 'een plaatje'.
En zit het intrige ook in de muziek van dit ensemble? Ik durf daar volmondig 'ja' op te antwoorden. Want ook de muziek geeft pas na meerdere luisterbeurten zijn details prijs, hetgeen is terug te voeren op de complexiteit van de tracks waarin de geesten van wijlen Frank Zappa en de weirdos van Henry Cow veelvuldig rondwaren. Die inspiratiebronnen leveren avant-gardistisch getinte prog op die staat als een huis.
Onder leiding van de officieuze Flower King Hasse Bruniusson trekt men voortvarend van leer in het openingsnummer 'Burning Arrows', met bijna 9 minuten het langste nummer van het album. Na een dreigend intro bouwt de track zich langzaam op en geven steeds meer instrumenten acte de presence, met de viool en klarinet als 'leiders'. De track is doordrenkt met een creepy stem die mij doet denken aan een Amerikaanse televisiedominee. Nu speelt religie toch een rol op deze schijf, getuige titels als 'Offering', 'The Cross of Infamy' en 'Three Figures', waarbij de heren enig cynisme en ironie niet kan worden ontzegd. In het laatstgenoemde nummer zitten wat folk-elementen verwerkt en is het thema geheel in Zappaiaanse 'Waka-Jawaka' traditie opgetrokken. Eén van de sterkere tracks van Scapegoat met zijn onverwachte breaks en wendingen en zijn melting pot aan stijlen. Avantgardisme ten top komt voorbij in 'Algebra of Needs', waar het gemurmel van de blazers met daaroverheen de gitaarklanken van Almkvist een vervreemdend effect geven en het lijkt alsof ik in een andere wereld verkeer. Absoluut hoogtepunt vormt 'Offering' dat geïntroduceerd wordt met een kerkorgel, gaandeweg een wonderlijke schoonheid ontvouwt, teksten uit Het Oude Testament bevat en overgoten is met een saus van zigeunermuziek. Ook 'Trial by Error' mag er zijn en biedt met zijn wat traditionelere opmaak een rustpunt. Ook hierin valt de invloed van Balkan-muziek op, terwijl we het hier toch over Zweedse muzikanten hebben. Het album sluit in stijl en met hoge kwaliteit af met 'Wooden Tuxedo' dat zowel qua titel als uitvoering door Zappa geschreven zou kunnen zijn en met 'Epigram', waarbij de ondertitel 'chamber music' passend zou zijn.
Voor de liefhebbers van niet al te gemakkelijke muziek die zich op de grensvlakken van prog, avant-garde en jazz beweegt, is dit een absolute aanrader. Geef het album de tijd zich aan u te ontvouwen. Al luisterend en turend op de hoes bent u niet meer van deze wereld ……. en dat kan in deze roerige tijden soms een verademing zijn.
JoJo (2003)


Bezetting:
Hakan Almkvist - guitar, bass, tapes keyboards, loops, voice
Lars Bjork - bass and altered clarinet, loops
Hasse Bruniusson - acoustic and electric drums, percussion, computers
Kirk Chilton - violin, viola, voice

Discografie:
Key Figures (1994)
Scapegoat (1998)
Garmonbozia (2000)

Reviews D

Deadsoul Tribe - The January Tree (2004)

Label: Inside Out Music
Bandsite: Deadsoultribe.com
Duur: 50:49
Reviewer: JoJo

Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)


Deadsoul Tribe: ik had regelmatig over deze tweemansband, die zich beweegt in het hardere segment van de progressieve muziek, gehoord en gelezen en zo af en toe een losse track beluisterd. Een integraal album tot mij nemen was mij echter nog niet gegund. 'The January Tree' is derhalve mijn vuurdoop en die eerste kennismaking valt mij niet mee. Alles is al gedaan in de artistieke sector en het is dus ook in de progressieve muziek steeds moeilijker om in het geheel of desnoods enigszins origineel te zijn. Als een gebrek aan originaliteit echter gepaard gaat met een hoog compositorisch niveau, dan kunnen albums goed te verteren zijn. Maar ook daarvan is op dit derde album van Deadsoul Tribe slechts spaarzaam sprake.
'The January Tree' komt langzaam op gang want de betere tracks laten op zich wachten. De eerste drie tracks 'Spiders and Flies', 'Sirens' en 'The Love of Hate' lijden namelijk aan compositorische bloedarmoede. Het is 'koekoek ene dreun', de ritme gitaar speelt in de diverse tracks bijna dezelfde riffs en de nummers staan stil en ontwikkelen zich niet of nauwelijks. Deze tracks doen nog het meest denken aan een muzikale grabbelton die de luisteraar achterlaat met ook door anderen uit den treuren gebruikte citaten uit de rijke hardrockhistorie, waarbij Uriah Heep, Black Sabbath en Iron Maiden met name bovenkomen. Citaten worden daarmee op een gegeven moment clichés. Dat kan niet anders en dat is hier ook niet anders. De schijf komt enigszins op gang met 'Why?' Hier toont het duo Graves en Moustafa wat meer durf. Het resultaat is een gelaagder nummer met een pakkend vocaal refrein en meer afwisseling door breaks en door een grotere variatie aan instrumenten. Deze positieve toon wordt voortgezet in 'The Coldest Day of Winter' en het sterke 'Wings of Faith'. Deze laatstgenoemde vormt een vernuftig geheel, steekt compositorisch eindelijk goed in elkaar en bevat pakkende en soms ongebruikelijke ritmes en wendingen, met name ingegeven door het overigens op het gehele album uitstekende en wervelende drum- en percussiewerk van Moustafa. 'Toy Rocket' begint met Tull-achtige dwarsfluit in een hardrock context en kent een mooi relatief rustig intermezzo met aardige gitaarlicks. Helaas zakken we weer af naar het niveau van de openingstracks in 'Waiting for the Answer'. Een bedenkelijk simpele compositie met matige zang en die eeuwigdurende uitwisselbare riffs op de gitaar. 'Just Like a Timepiece' begint als een welkom rustpunt met folkinvloed, onder andere door de mooie dwarsfluit, en groeit naar een ballade-achtige climax waarin de fluit- en pianoklanken om voorrang strijden. De afsluiter 'Lady of Rain' is aardig maar beschouw ik als een open einde. Niet geschikt als outro van een album. Het album is niet af, niet rond.
Een score van vijf goede tracks uit tien. Goed, omdat in die gevallen méér durf en vernuft tentoon wordt gespreid en van méér verrassingen en wendingen sprake is dan in de resterende titels. Maar vijf uit tien dat is te weinig. Dat is het op school, op het werk, in de sport en dus ook in de muziek. Ik geef een voldoende, maar wel met een extra taak: compositorische groei en diepgang!
JoJo (8-2004)

Bezetting:
Devon Graves - vocals, guitar, flute, keyboards
Adel Moustafa - drums

Discografie:
Dead Soul Tribe (2002)
A Murder of Crows (2003)
The January Tree (2004)
The Dead Word (2005)

Reviews D

Deadwood Forest – Mellodramatic (2001)

Label: Shroom Productions
Bandsite: -
Duur: 47:45
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Deadwood Forest is beïnvloed door Anekdoten. Anekdoten is beïnvloed door King Crimson. Is Deadwood Forest dan ook nog beïnvloed door King Crimson? Volgens de rationele wet van de wiskundige vergelijking is het antwoord “ja”. Gevoelsmatig twijfel ik. Ik zie het meer als ‘tweede-generatie-inspiratie’ waarbij Deadwood Forest de revenuen trekt van bands als Anekdoten, Änglagård en Landberk. En dat is op zichzelf al verwonderlijk als je het klimatologisch bekijkt. De hier besproken band komt uit Texas, waar zinsbegoochelingen en zonnesteken door de warmte op de loer liggen, terwijl genoemde Scandinavische bands in alle naden en voegen de koude, de rust en de helderheid van de poolnacht verbeelden. En een mellotron in Texas brengt mijn referentiekader al helemaal in verwarring.
Reken maar dat de mellotron op de reissue van ‘Mellodramatic’ een voorname rol speelt. Niet alleen de titel geeft een hint daaromtrent maar de muziek is doordrenkt met het heerlijke geluid van dit unieke instrument. Deadwood Forest is na twee albums inmiddels volledig van het progtoneel verdwenen. Hun site is afgesloten. Toch jammer want de band laat potentie horen. Zowel qua technisch kunnen als compositorisch. Wat ik echter node mis is een rode draad die mij houvast biedt door en over de tien tracks heen. Die draad had gesponnen kunnen worden vanuit de gedachte dat inspiratie vinden bij anderen prima is – muziek is evolutie – maar dat het tonen van een eigen gezicht even belangrijk zo niet belangrijker is. Dat eigen smoel en die rode draad zijn er onvoldoende en dat levert puntenaftrek op. Met wat dan rest is het overigens nog goed vertoeven.
‘Mellodramatic’ opent verwachtingsvol met ‘The Pioneer’. Een gevarieerde track die een staalkaart aan hedendaagse prog en symfo laat horen, waarin de mellotron en orgel domineren en dynamiek de boventoon voert. Wat direct opvalt is de fragiele en onvaste stem van Ryan Guidry. Geen topstem maar het wordt ook in de andere stukken niet disfunctioneel doordat hij de grenzen van de eigen stem blijkbaar kent. In het titelloze tweede nummer, in ‘OCD’ en in ‘Stolen Smile’ worden wederom romantische passages gekoppeld aan hardere fragmenten à la Anekdoten en ook associaties met Pineapple Thief doen opgeld. ‘King of the Skies’ laat een soort symfonische folk horen die evolueert van Fairport Convention via Jethro Tull naar Landberk, hetgeen ook geldt voor het opvolgende ‘The City in the Sea’. ‘Dry’ is een trage, slaperige maar mooie track met lijzige zang, gelardeerd met weer die geweldige mellotron. Een symfoballad zoals u wilt. ‘The Ultraviolence’ is een dreigend nummer met alle genoemde kenmerken, al laat de productie hier te wensen over. Het lijkt live op locatie dan wel live in de studio opgenomen al wordt dat nergens vermeld. Het album sluit af met het lullig klinkende niemendalletje ‘Departure’.
Het album ‘Mellodramatic’ is getooid in een hoes die weliswaar uit elkaar klapt van clichés maar per saldo een aangenaam beeld oplevert. En die conclusie kan ook worden getrokken over het muzikale aanbod op deze schijf. Ik ben er echter van overtuigd dat als de leden van Deadwood Forest zichzelf wat meer groeitijd hadden gegund, dat dan het eigen gezicht zich zeker zou hebben gevormd en de rode draad zou zijn gevonden. Nu lijkt het tot een onbevredigend en vroegtijdig einde te zijn gekomen. Sterker nog, Coburn, McWilliams en Guidry richtten een nieuwe nog steeds actieve band op - The Scattered Pages - die zich niet in het progsegment lijkt te bewegen. Op de site van die band en in de bio is echter niets te vinden over Deadwood Forest. Het lijkt wel alsof ze dit verleden volledig verdrongen hebben. Dat is nou ook weer niet nodig.
JoJo (04-2006)

Bezetting:
Ryan Guidry – vocals, guitars, theremin, keyboards

Andy McWilliams – drums, programming
Kurt Coburn - bass
Mitch Mignano - keyboards

Discografie:
Deadwood Forest (1997)
Mellodramatic (2001)

Reviews D

Sandy Denny - No More Sad Refrains (The Anthology) (2000)

Label: Island
Bandsite: -
Duur:
76:23 + 76:56
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Ik was in de jaren 70 niet zo'n folkliefhebber. De muziek werd door mij te lief en te 'soft' bevonden. Bands als Fairport Convention en The Incredible String Band associeerde ik al snel met de groep geitewollensokkenfiguren uit Vlaardingen die mijn Schiedamse stamkroeg regelmatig bezochten. Maar hoe ouder, hoe milder en langzamerhand ben ik de folkmuziek meer gaan waarderen. Dat er zo af en toe bij beluistering een 'nabeeld' voorbijkomt met dansende geitewollensokken in sandalen, neem ik dan maar op de koop toe. Sandy Denny was een vooraanstaand exponent van de Britse folkscene van eind jaren 60, half jaren 70. Zij is met name bekend geworden met Fairport Convention, hoewel zij relatief kort en met tussenpozen lid was van deze legendarische band. Daarnaast was zij actief binnen Fotheringay, The Bunch en als solo-artiest. Helaas kwam zij in 1978 op 31-jarige leeftijd te overlijden ten gevolge van een noodlottige val van haar trap.
Deze dubbel-CD geeft een nagenoeg compleet en prachtig beeld van haar rol in de genoemde bands en van haar solo-carrière. Wat steeds maar weer opvalt, vanaf de eerste klanken op CD1, is hoe goed zij als zangeres was. Op de prima gedocumenteerde hoes steken Pete Townsend en Robert Plant - niet de eersten die bij je opkomen denkend aan folk, al speelde Denny dan een gastrol op Led Zeppelin IV - de loftrompet over haar. Plant: "My favourite singer out of all the British girls that ever were". En Townsend vervolgt "She was a perfect British folk voice. Not a trace of vibrato. Pure and easy". De sfeer die zij weet neer te zetten, doorgaans met vaste waarden in de diverse bezettingen als gitarist Richard Thompson, bassist Pat Donaldson en drummer Gerry Conway, is vergelijkbaar met de melancholieke sfeer van Nick Drake. Drake, de tragische singer/ songwriter die zij ook persoonlijk kende en regelmatig tegenkwam in het kleine wereldje van de Britse folk.
De eerste CD kent geen zwakke tracks. De zes tracks uit haar Fairport-tijd zijn overbekend met als uitschieters "Who knows where the Time Goes" en het geweldige "Crazy Man Michael". Hoe mooi past haar stem hier bij de klanken van meestergitarist Thompson. De vier tracks van haar band Fotheringay dateren uit 1970 en kennen geen significant verschil met de Fairportsound. "Nothing More" is een prachtige ballad met grandioos laid-back gitaarspel van Jerry Donahue. Het acht minuten durende "Banks of the Nile", een traditional, leidt tot kippevel. Denny op haar best, loepzuiver zingend, met het subtiele getokkel van de gitaren op de achtergrond. The Anthology heeft mij er ook van overtuigd haar eerste solowerk "The North Star Grassman and the Ravens" aan te schaffen. Het wachten is echter op de remaster. De vier tracks die hiervan zijn opgenomen vormen het hoogtepunt van CD1, met speciale aandacht voor het mysterieuze en dramatische "Next Time Around" dat een prachtig pianothema in mineur kent. De rest van de CD is gevuld met covers van The Everly Brothers en Buddy Holly door The Bunch – gewoon overslaan is het devies – en prima nummers door Denny solo uitgevoerd van de soundtrack "Pass of Arms".
CD2 is volledig gevuld met solowerk uit de periode 1972-1977. Wat daarin opvalt is dat de folkroots hoorbaar blijven maar dat naarmate de tijd verstreek het wat commerciëler ging klinken. Maar steeds aan de goede kant van de streep. Hoogtepunten zijn ondermeer het met Linda Peters a-cappella gezongen "Quiet Joys of Brotherhood" en het donkere "The Lady". Op haar laatste soloplaat "Rendez Vous" liet ze zich bijstaan door o.a. Steve Winwood (Traffic) en Dave Pegg (Jethro Tull) en dat is goed te horen op het heerlijke "For Shame of Doing Wrong" waar het orgel van Winwood rondzingt als in de beste Trafficnummers. In het symfonische "All Our Days" wordt Denny ondersteund door orkest en komt in die bezetting dicht in de buurt van Renaissance en Annie Haslam.
The Anthology geeft via 34 tracks een kwalitatief en indrukwekkend overzicht van het oeuvre van Sandy Denny. Een minpunt is dat er geen aandacht wordt gegeven aan haar samenwerking met The Strawbs, resulterend in het album "Sandy and The Strawbs". Maar een kniesoor die daar op let. En ik ben er inmiddels wel achter: Sandy Denny klinkt ook prima zonder sandalen en geitewollensokken. Gelukkig maar.
JoJo (12-2003)


Bezetting:
Sandy Denny - vocals, piano, acoustic guitars en diverse bezettingen

Discografie:
Met Fairport Convention:
What We Did On Our Holidays (1969)
Unhalfbricking (1969)
Liege and Lief (1969)
Live (1974)
Rising for the Moon (1975)
Heyday – BBC Radio Sessions 1968-69 (1987)
Met Fotheringay:
Fotheringay (1970)
Solo:
Sandy Denny with The Strawbs (1967)
T
he North Star Grassman and the Ravens (1971)
Sandy (1972)
L
ike An Old Fashioned Waltz (1973)
Rendez Vous (1977)

Reviews D

Deus ex Machina - Cinque (2002)

Label: Cuneiform Records
Bandsite: www.cuneiformrecords.com
Duur: 70:32
Reviewer: JoJo
Waardering: @ (uit max. 5 JoJo's)

U kent dat wel. De hoop dat een album dat in eerste instantie tegenvalt zijn geheimen en kwaliteiten na meerdere laserbehandelingen prijsgeeft. Composities krijgen hun structuur, de teksten krijgen hun plaats en waarde, de melodielijnen worden herkend, de persoonlijke waardering stijgt en 'de muziek wordt van u'. De voorbeelden waarbij dit proces zich niet of onvolledig voltrekt kent u waarschijnlijk ook wel.
Wat mij betreft valt onder deze laatste categorie 'Cinque' van de in 1985 in Bologna geboren Italiaanse band Deus ex Machina. Het wilde en wil nog steeds maar niet lukken met dit album uit 2002. Dat wordt met name veroorzaakt door de zang van Alberto Piras. Hoewel Piras allerwegen wordt geroemd om zijn stem – gevormd door een gedegen conservatoriumopleiding – is zijn voordracht mijns inziens te dominant en theatraal, tegendraads ten opzichte van de partijen die zijn collega's spelen en te vaak 'a-tonisch'. Het past in ieder geval niet en als iets niet past valt het ook niet op zijn plaats. Daarnaast heeft men gekozen voor het schrijven en voordragen van een aantal teksten in het Latijn. Hoewel dit enigszins verklaarbaar is vanuit de culturele achtergrond van de heren en vanuit de naam van de band, erger ik mij aan dit soort pseudo-intellectuele en elitaire uitingen en ontgaat mij de toegevoegde waarde.
De vocale keuzes overschaduwen helaas de muziektechnische kwaliteit die wel degelijk schuilt in de uitvoering van de tracks. Er wordt namelijk zeer vaardig en smaakvol gemusiceerd – waarbij de geweldige hammond klanken en de viool opvallen - en ook de composities zijn voldoende tot goed. Het in een geweldige hoes gestoken album beslaat 8 tracks (los van de live ghost-tracks die na enige tijd in de uitloopgroef klinken) die kunnen worden gekarakteriseerd als een fusie tussen jazz-rock, progrock en avant garde waarbij namen als Gentle Giant, Landberk, Mahavishnu Orchestra en Jerry Goodman regelmatig door mijn hoofd schieten. Uitschieters zijn wat mij betreft het openingsnummer 'Wound'/'Convolutus' dat een mooie melodie kent, het funky en op breaks en ritmes à la Gentle Giant gefundeerde 'The Thought that Leads to the Important Things'/'Il Pensiero Che Porta Alle Cose Importanti' en het gedurfde en experimentele nummer 'The Theory of Order'/'De Ordinis Ratione'. 'Mooie' voorbeelden waarbij de zang een compositie teniet doet zijn de tracks 'The Man of the Past Future'/'Uomo del Futuro Passato' en 'One Day the Sun Asked the Earth'/'Olim Sol Rogavit Terrami'. Hier wordt de vraag 'Hoe kun je een op zichzelf sterk nummer de das omdoen met irritante zang?' afdoende beantwoord.
De naam 'Deus ex Machina' is Latijn voor 'een onverwachte verschijning van een god in een toneelstuk'. In een vrije vertaling wordt het ook gezien als een weliswaar onnatuurlijke maar gelukkige oplossing voor een probleem. 'Onnatuurlijk' is het voor mij zeker – met name door de zang – en 'gelukkig' zeker niet. De compositorische en technische kwaliteiten van de band ten spijt. Hoewel deze laatste kwaliteiten de beoordeling optrekken naar 'voldoende'.
JoJo (2003)


Bezetting:

Alessandro Bonetti - violins
Mauro Collina - guitars
Alberto Piras - vocals
Alessandro Porreca - bass
Fabrizio Puglisi - keyboards
Claudio Trotta - drums

Discografie:
Gladium Caeli (1991)
Deus Ex Machina (1992)
De Republica (1995)
Diacronie Metronomiche (1996)
Cinque (2001)


Reviews D

Djam Karet - A Night for Baku (2003)

Label: Cuneiform Records
Bandsite: www.Djamkaret.com
Duur: 59:54
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)

Mijn muziekverzameling siert sinds enige tijd een aantal items van de Californische progband Djam Karet. Ik had mij echter tot voor kort nog onvoldoende verdiept in de historie van deze band. Tot mijn verbazing bestaat Djam Karet reeds sinds 1984 en hebben zij met 'A Night for Baku' het dozijn aan albums volgemaakt. "Daar heb ik toch iets laten liggen de afgelopen 20 jaar", was de eerste gedachte die bij mij opkwam. Het is dan ook zeker een band om verder te onderzoeken. Door de fusie van prog, symfo, hard rock, elektronische muziek en zelfs ambient, creëren zij namelijk muzikale landschappen die af en toe refereren aan anderen – de instrumentale Pink Floyd, de space van Ozric Tentacles, de gitaar van Porcupine Tree - maar toch met name zijn ingekleurd met een eigen geluid.
'A Night for Baku' is hun zevende album voor Cuneiform Records en ik moet helaas constateren dat de jubelstemming die ik voel als ik naar de voorgaande albums 'Ascension' en 'New Dark Age' luister, op deze schijf slechts een enkele keer opkomt. Met verbazing zag ik bijvoorbeeld dat dit album als 'Vette Krent' wordt gemarkeerd in het blad IO Pages. En ook anderen spreken er met veel lof over. Maar goed dat is nu eenmaal de subjectiviteit die per definitie in recensies zit. Bij deze zet ik daar - voor de nuance - mijn eigen persoonlijke en dit keer tegendraadse mening tegenover. Het album is in een verzorgde en mooie en mysterieuze hoes gestoken. De titel van het album is ontleend aan de rijke folklore in Japan rond dromen. 'Baku' zijn de mythische bewoners van de droomwereld die voor hun eigen plezier in gevecht gaan met de nachtelijke 'gedachten' van de slapende mens. Als de Baku deze strijd winnen, resulteert dat in boze dromen en nachtmerries voor de ander.
De schijf opent met 'Dream Portal'. De eerste klanken klinken veelbelovend. Maar als de gitaar invalt dan kan ik niet anders constateren dan dat het vals klinkt. Het zal ongetwijfeld met opzet zijn want de synths nemen het ook over. Wellicht dat de 'valsheid van dromen' wordt uitgebeeld, maar het detoneert en irriteert. Het thema van het nummer is echter sterk. Mooi zijn de mellotrons en creepy zijn de stemmen waarmee het nummer is gelardeerd. 'Hungry Ghost' vormt track 2 en is een up-tempo door gitaar gedomineerd geheel. De breaks en roffels van drummer Chuck Oken Jr. vind ik ronduit knullig. Het klopt allemaal net niet. Ook hier geldt dat het thema en de opbouw van het nummer prima zijn maar de uitvoering te wensen overlaat. 'Chimera Moon' vormt een positieve uitschieter. Dreigende synths en vreemde geluiden vormen de introductie en verbeelden de droomwereld knap. Ook hier weer stemmen op de achtergrond. Altijd goed voor het suggereren van een mystieke sfeer. Het nummer ontwikkelt zich sterk in de romp van de track met een prima gitaarsolo van Gayle Ellett. Ook hier bevallen de drums mij minder, hetgeen misschien is terug te voeren op de improviserende en jamachtige wijze van werken van Djam Karet. 'Heads of Ni-Oh' opent met een landerig en traag ritme maar gaat, via virtuoze gitaarlicks en mooie orgelklanken, rap in een hogere versnelling. Ozric Tentacles en in mindere mate Gong zijn zeker referentiepunten in deze track. Hoewel niet altijd duidelijk is wie de gitaren voor zijn rekening neemt - Mike Henderson speelt ook gitaar - ga ik ervan uit dat het Ellett is en die kan spelen als de beste en is sterk in het produceren van unieke effecten. Via het atmosferische 'Scary Circus', het intrigerende 'The Falafel King' waarin Porcupine Tree rondwaart en het saaie 'Sexy Beast', belanden we bij 'Ukab Maerd'. Dit voorlaatste wat experimentele nummer is gefundeerd op een aanstekelijk ritme maar ontvouwt zich slechts via kleine veranderingen aan het thema. Door zijn eenvormigheid kan het mij maar matig boeien. Het album sluit af met het 10 minuten durende 'The Red Thread' waarbij de kop van het nummer de stuwende opbouw heeft die King Crimson reeds veelvuldig heeft gebruikt en mij dan ook erg bekend voorkomt. Het geheel weerspiegelt trouwens de complexiteit van King Crimson, maar die zijn daar toch een klasse beter in. Er zijn mooie al zijn het dan digitale mellotronklanken te horen, het drumwerk is weer beneden de maat en het nummer ontwikkelt zich nauwelijks. Ik denk steeds 'nu gaat het komen' maar het komt helaas niet. Op een geforceerde wijze wordt het openingsthema weer ten tonele gevoerd om het nummer af te sluiten.
'A Night for Baku' zou ik willen kenschetsen als een slordig album met te weinig spanning in de composities. Voor een eerste kennismaking met Djam Karet verwijs ik dan ook naar veel sterkere albums als 'The Devouring' en 'New Dark Age'. Ik heb vaak na een droom dat ik weet dat ik gedroomd heb maar dat ik de details of zelfs de gehele droom niet meer kan reproduceren. Dat ervaar ik ook met dit album. Al vele malen gedraaid maar er blijft weinig van hangen. Zo vluchtig als nachtelijke 'gedachten'.
JoJo (2003)

Bezetting:
Gayle Ellett - guitars, organ, synths, field recording and effects
Mike Henderson - guitars, synths, field recording and effects
Aaron Kenyon - bass
Chuck Oken jr. - drums, percussion, sounds and sequences
Henry J. Osbourne - bass

Discografie:
A Night For Baku(2003)
Ascension(2001)
New Dark Age (2001)
Live At Orion (1999)
Still No Commercial Potential (1998)
The Devouring (1997)
Collaborator (1994)
Burning The Hard City (1991)
Suspension & Displacement (1991)
Reflections From The Firepool (1989)
The Ritual Continues (1987)

Reviews C

Cressida - Asylum (1971)

Label: Repertoire Records/Akarma
Bandsite: -
Duur: 40:22
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)

'Asylum' van Cressida plaats ik in het rijtje Spring (1972) en Sandrose (1972). Niet zozeer vanwege de muzikale overeenkomsten, maar meer omdat het pareltjes uit een ver verleden zijn die mij in al die jaren ontgaan waren. Cressida is een band die begin jaren 70 slechts twee progressieve albums maakte en daarna in de vergetelheid raakte. De LP met de karakteristieke hoes kom je nog weleens tegen in tweede hands platenzaken. De CD is moeilijker te vinden. Cressida heeft een eigen geluid maar ik hoor referenties aan de vroege King Crimson, Caravan en Circus.
Het album opent veelbelovend met het folky en up-tempo titelnummer waarin een heerlijke solo van Peter Jennings op hammond organ opvalt. Er wordt vervolgd met 'Munich', voor mij het absolute hoogtepunt. Mocht iemand ooit vragen wat progressieve muziek nu eigenlijk is, dan kunt u gerust dit nummer laten horen en gebruiken als definitie. Het biedt een progressieve staalkaart door zijn klassieke en complexe opbouw, de verrassende wendingen, de instrumentatie en orkestratie en het feit dat het inhoudelijk ergens over gaat. De ondertitel is 'Munich 1938: Appeasement was the cry. Munich 1970: Mine to do or die', o.a. verwijzend naar het Pact van München dat allerwegen werd gezien als een overgave aan Hitler en als de voorbode van WOII. Het prachtnummer stelt Angus Cullen in staat zijn vocale kunsten te tonen en er zijn echo's te horen van de Canterburysound en dan met name van Caravan. 'Goodbye Post Office Tower Goodbye' – wat zouden ze daarmee hebben bedoeld? – houdt deze sound vast maar is simpeler van opbouw. 'Survivor' haalt maar net een voldoende met name door zijn wat naïeve en enigszins lullige refrein. Gelukkig is het een korte track. 'Reprieved' is jazzy en 'easy listening', vormt een rustpunt en was ooit het laatste nummer van LP Kant 1. 'Lisa' is het tweede hoogtepunt en verraadt de klassieke conservatoriumachtergrond van met name Jennings. Ook hier veel wendingen van mineur naar majeur en vice versa en het laat goed horen dat Cressida muzikaal-technisch veel in haar mars had. Na het wederom op folky leest geschoeide en wat onopvallende 'Summer Weekend of a Lifetime', sluit 'Asylum' af met 'Let them come when they will'. Een sterke track met prima gitaarspel van John Colley. Een deel van het nummer is jazzy en groovy en zou daardoor niet hebben misstaan op een vroeg werk van Brian Auger's Oblivion Express. In het middendeel van deze afsluitende track keert Cressida echter weer terug op haar progressieve schreden en zingt Cullen, ondersteund door orkest, zijn emotie van zich af.
Hoewel Cressida het hoge niveau van de tracks 'Munich' en 'Lisa' niet van begin tot eind weet vast te houden en daarmee kwalitatief wat wisselvallig is, beschouw ik 'Asylum' als een bewijs hoe rijk en productief de jaren 70 waren als het gaat om progressieve muziek. Hoe blij kun je zijn met iets dat ruim 30 jaar oud is?
JoJo (6-2004)

Bezetting:
Angus Cullen - vocals, acoustic guitar
John Colley - lead and acoustic guitar
Peter Jennings - organ, piano
Kevin McCarthy - bass
Iain Clark - drums

Discografie:
Cressida (1970)
Asylum (1971)

Reviews C

Crimson Jazz Trio - The KC Songbook Volume One
(2005)

Label: Voiceprint Records
Bandsite: www.crimsonjazztrio.com
Duur: 61:52
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score aan JoJo's)

Aandacht voor jazz op deze site zal niet gauw gebeuren. Niet omdat de recensenten van OJE niet van jazz houden maar omdat het buiten het bestek valt. Tenzij er sprake is van een jazzuiting door een vroegere vertegenwoordiger van de progressieve rock – Ian Wallace – die het snode en op het eerste gezicht onmogelijke plan opvat om tracks van King Crimson te vertalen naar een jazzformat. Dan is aandacht wèl gerechtvaardigd omdat het onze lezers zal interesseren.
Ian Wallace was drummer van King Crimson op slechts twee officiële albums namelijk ‘Islands’ (1971) en ‘Earthbound’ (1972). Hij werd voorafgegaan door Michael Giles en opgevolgd door Bill Bruford. Toch maakt hij volgens Robert Fripp “onlosmakelijk deel uit van de KC-familie”. En hij heeft Giles inmiddels weer opgevolgd in de ‘21st Century Schizoid Band’, ook al een loot aan de KC-boom. Daarnaast werkte Wallace in de studio of op het toneel samen met grootheden als Ry Cooder, Crosby, Stills & Nash, Steve Winwood, Eno, Joe Walsh, Bonnie Raitt, Keith Emerson enz. Bovendien is hij al vele jaren actief in het Britse jazzcircuit.
Het is nogal wat, wat er plaatsvindt op het ‘King Crimson Songbook Volume One’. Wallace heeft op dit verrassende album gekozen voor de traditionele bezetting van een jazztrio: drums, bas en piano. Hij laat zich vergezellen door de voortreffelijke pianist Jody Nardone en de virtuoze fretloze bassist Tim Landers. Gedrieën hebben zij een doorsnede gemaakt uit het repertoire van KC door de jaren heen en acht tracks omgezet naar jazzakkoorden en jazz-zettingen. Een onmogelijk plan? Geenszins. Het is razend knap hoe men koorddanst tussen enerzijds het behoud van de oorspronkelijke melodie en dus van de herkenbaarheid voor de KC-liefhebber en anderzijds het tegelijkertijd door de nieuwe ‘verpakking’ ook aantrekkelijk weet te maken voor de jazzliefhebber. “It's jazz for the progressive crowd. It's progressive for the jazz crowd”, zoals het trio zelf stelt. Het resultaat is in alle opzichten smaakvol en interessant en doet getuigenis van de kennis die de drie heren hebben van zowel jazz als prog. De spanning in ’21st Century Schizoid Man’ is nog steeds voelbaar, de humor in ‘Catfood’ blijft ook in een jazzy-uitvoering overeind, de mystiek van ‘Starless’, ‘Ladies of the Road’ en ‘Red’ is volop aanwezig, de romantiek druipt er bij ‘I Talk to the Wind’ zelfs in een ‘easy listening’ uitvoering vanaf en de eigenzinnigheid van ‘Three of a Perfect Pair’ en ‘Matte Kudasai’ staat ook hier nog centraal. Gelardeerd met improvisaties, zijpaden en vertakkingen maar altijd weer uitkomend bij datgene wat de oorspronkelijke composities probeerden te verbeelden. En de mellotron vervangen door een piano, kan dat? Voor een mellotron mag ik ’s nachts wakker gemaakt worden; desondanks heb ik het karakteristieke geluid op dit album geen moment gemist.
Wallace cs. hebben een zeer geslaagde interpretatie gemaakt van mijlpalen uit de historie van King Crimson. Toen goeroe Fripp het resultaat mocht aanhoren schreef hij: “First Response: Yes” en “Second Response: Can’t Wait for Volume Two”. En daar wil ik mij volledig bij aansluiten.
JoJo (02-2006)

Bezetting:
Jody Nardone –acoustic grand piano
Tim Landers – fretless bass guitar
Ian Wallace – drumset
Discografie:

King Crimson Songbook Volume One (2005)

Reviews C

Chroma Key - Graveyard Mountain Home (2004)

Label: Inside Out Music
Bandsite:
Chromakey.com
Duur: 53:30
Reviewer: JoJo
Waardering:
@ @ @ @ @ (max. score)

Welbeschouwd is dit countrymuziek. Goede openingszin, wekt verbazing op bij de lezer. Die wellicht denkt "Countrymuziek, op een progsite, Kevin Moore maakt die country?" Dit is geen uitspraak om te shockeren maar ik sta er volledig achter: welbeschouwd is dit countrymuziek. De landerige en lome sfeer waarin de muziek voorbijtrekt, de bezetting waarin o.a. tokkelende gitaren zo her en der akkoordenschema's spelen die in countryrock gebruikelijk zijn en de wat slaperige manier van zingen overtuigen mij hier van. Maar natuurlijk is dat maar een deel van het verhaal. Chroma Key is een band - al lijkt het met de wisselende bezettingen meer op een project - die mij na aan het hart ligt. Het uitstekende debuut 'Dead Air for Radios' beluister ik regelmatig en berokkent mij nog steeds koude rillingen door de mysterieuze en bijna wereldvreemde muziek. Het was het album dat Kevin Moore maakte nadat hij Dream Theater had verlaten. Een band waarin hij, gezien de muziek die hij nadien onder eigen naam en binnen Chroma Key maakt, per saldo niet thuishoorde. Want daar zou hij het hier gebodene nooit kwijt hebben gekund. Gelukkig heeft de platenmaatschappij er eindelijk voor gekozen om op de removable sticker op de disc niet meer op te nemen "ex Dream Theater", want uit betrouwbare bron werd vernomen dat Moore niet steeds geassocieerd wil blijven met dat verleden. En terecht, want hij heeft op eigen benen zoveel te bieden.
Welbeschouwd is 'Graveyard Mountain Home' countrymuziek. Gevat in een zetting van 'ambient music' met wat miniscule progressieve diamantjes die bij wijze van experiment op de randen zijn vastgezet. Het bevat muziek die Moore schreef bij de film 'Age 13' , een surrealistische film uit 1955 die bij de speciale editie van het album als bonus DVD is bijgevoegd. De songs zijn verwant aan wat Moore presenteerde op zijn recente solo-album 'Ghost Book' - ook al filmmuziek - en het prima nummer 'Sad Sad Movie' stond zelfs al op dat solowerkstuk. De veertien uitstekende tracks worden geïntegreerd door tussenstukjes met stemmen, gesprekken, hondengeblaf en regen; geluiden die overigens soms ook tijdens de tracks te horen zijn. U kent dat wel. Maar het is hier wezenlijk. Als die geluiden er niet zouden zijn, zou het resultaat minder zijn geweest alsook het gevoel naar één geheel te luisteren.
Om alle hier genoemde sensaties te bereiken heeft het in een schitterende hoes gestoken album wel veel luisterbeurten nodig, want gemakkelijke muziek is het zeker niet. Maar als het zo langzamerhand beklijft dan gaat er een wereld voor u open. Een wereld om in weg te dromen, een wereld die leidt tot zelfreflectie en waarin de gedoseerde teksten aanzetten tot nadenken en u af en toe angstig achterom kijkt. Door de integratie van elementen uit verschillende muzieksegmenten - prog, ambient, filmmuziek, techno, vleugjes jazz en soul - kun je het fusion noemen. Welbeschouwd is 'Graveyard Mountain Home' echter countrymuziek.
JoJo (11-2004)

Bezetting:
Kevin Moore - vocals, guitars, keyboards, programming
Utku Unal - drums
Theron Patterson - programming, bass guitar
Bige Akdeniz - additional vocals and lyrics
Bob Nekrasov - monologue
Erden Helvacioglu - additional guitars

Discografie:
Dead Air for Radios (1998)