Reviews Numeral
21st Century Schizoid Band -
Live in Japan (2005)
Label: IcenI
Bandsite: 21stcenturyschizoidband
Duur: 79:50
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
De doorgaans onbarmhartige Samaritaan Robert Fripp bleek opeens onvermoede sociale trekjes te vertonen en heeft enige tijd terug zijn zegen gegeven aan de 21st Century Schizoid Band. Aangezien hij zelf geen deel van de band uitmaakt mag de naam King Crimson uiteraard niet worden gebruikt. Hoewel de bezetting - o.a. Ian McDonald, Michael Giles, Peter Giles en Mel Collins als illustere leden van vroege line-ups - daar wel aanleiding toe zou geven. In plaats van Fripp, al zal Fripp dat zelf nooit zo voelen, is gitarist en zanger Jakko M. Jakszyk aangezocht.
Het draait hier om de registratie van een concert dat plaatsvond op 6 november 2002 in Japan. Dit concert was al uitgegeven als DVD en ‘Official Bootleg’ (met een rode hoes) en dan nu als ‘official release’ (met een blauwe hoes). Erg duidelijk is het allemaal niet, hetgeen ook geldt voor de rest van de discografie van deze revelatie van het oude Crimson. Maar dat mag de pret niet drukken want wat heb ik een plezier gehad met dit werkstuk. De band is uitstekend op dreef. De saxen en fluiten van McDonald en Collins scheuren en piepen als vanouds. Het baswerk van Peter Giles klinkt als vroeger en met name het drummen van Michael Giles is uitstekend met die hard gespannen vellen en het dito geluid dat zo karakteristiek voor hem was. In de huidige line-up is hij inmiddels vervangen door ook al een oudgediende Ian Wallace. Giles kon de druk en het touren helaas niet meer aan.
Het aardige en interessante van de tracklist van dit liveconcert is dat men naast de KC-klassiekers ‘In the Court of ..’, ‘I Talk To The Wind’, ‘Epitaph’ en ‘21st Century Schizoid Man’ ruimte heeft gegeven aan werk dat de afgelopen 35 jaar live niet of minder werd uitgevoerd. Zoals ‘A Man A City’, ‘Catfood’, ‘Formentera Lady’, ‘Ladies Of The Road’ en zelfs ‘Birdman’ dat bekend is van het meesterwerk ‘McDonald and Giles’ uit 1970. Hoewel men improviseert en modificeert blijft men in alle uitvoeringen toch dicht bij het origineel, al klinkt het allemaal wat minder bombastisch dan op de studioalbums. Een en ander met behoud van de mystieke KC-sfeer die de vroege albums uitstraalden. Zanger Jakszyk kwijt zich uitstekend van zijn zangtaak en dat moet niet worden onderschat want het is geen sinecure om de karakteristieke stem van Greg Lake te vervangen. Zijn gitaarpartijen zijn ook prima, al heeft hij zich niet gewaagd aan het imiteren van het Fripperiaanse geluid. Misschien maar goed ook.
Dit album laat horen en voelen dat de heren het heerlijk vonden om weer samen te spelen en het verleden te laten herleven met niet alleen de voor de hand liggende klassieke nummers. Gelukkig is dat hier niet gebeurd door een ‘Re-Crimson’ of een ‘KC Tribute Band’ - de ziekte van deze tijd - maar door mensen die wat mij betreft het voorkeursrecht hebben om dat te doen: de componisten en uitvoerenden zèlf.
JoJo (11-2005)
Bezetting:
Ian McDonald - alto sax, flute, keys, grand piano, vocals, percussion
Michael Giles - drums, percussion and vocals
Peter Giles - bass guitar, backing vocals
Mel Collins - baritone, tenor and alto sax, flute, keys, backing vocals
Jakko M Jakszyk - lead vocals, guitar, flute, keys
Discografie:
Official Bootleg Volume One London (2002)
Official Bootleg Volume Two Live in Japan (2002)
Official Bootleg volume Three Live in Italy (2003)
Live in Japan (2005)
Pictures Of A City Live in New York (2006)
Reviews X
Xaal - En Chemin (1991)
Label: Musea
Bandsite: -
Duur: 54:12
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Xaal is een Frans driemansschap dat helaas slechts twee albums heeft afgeleverd. Tot voor kort was mij alleen de curieuze naam opgevallen op allerlei sites. Toen ik ergens las dat 'En Chemin' een progressief meesterwerk zou zijn, vond ik het aan mijn symfomane en progressieve stand verplicht op nader onderzoek uit te gaan. Voor zover het valt na te gaan is de band opgericht in 1990 op initiatief van gitarist Jad Ayache. Op basis van hun live-optredens verdienden zij een contract bij Musea. Er lopen nogal wat lijntjes naar de illustere band Magma, de band die niet alleen unieke muziek maakte maar ook een eigen taal ontwikkelde. Zo behoorden Xaal en Magma tot dezelfde muziekscene en speelt één van de blazers van Magma, de trompettist Yvon Guillard, mee op 'En Chemin'.
De muziek op het instrumentale 'En Chemin', ook te verkrijgen onder de naam 'On the Way', is het best te omschrijven als progressive fusion. Beluistering doet enerzijds flarden van de jazz-rock van Brand X, Isotope en het Spaanse Iceberg langskomen; anderzijds lijkt de manier van spelen met de krachtige ritmes, de jachtige gitaar en de melodische lijnen op King Crimson ten tijde van 'Larks Tonques in Aspic'. In de meeste tracks ontbreken de keyboards, al speelt gastmuzikant Stephane Jaoui op twee van de negen nummers keyboards. Maar het geluid van de keys mis ik allerminst, aangezien Ayache avontuurlijke en warme klanken haalt uit zijn gitaar en gitaar-synthesizer.
Toen ik de schijf voor het eerst beluisterde vond ik het allemaal wat eenvormig. Maar gaandeweg kregen de nummers een 'smoel' en raakte ik zelfs gewend aan de wat dunne sound. De kracht van Xaal ligt vooral in de gedurfde afwisseling van de hoekige maar ook gejaagde ritmes met de rustiger en lieflijker passages. Is de opener 'L'Enfant af en toe wat rommelig, de melodielijn gespeeld door de gitaar is prachtig. De track 'Ballade' doet zijn naam geen eer aan want het is een stevig rocknummer met dominerende gastblazers op trompet en sax. Eén van de uitschieters is 'Le Jardin' waarin op een bijzondere manier de vroege Jethro Tull rondsluipt, wat folkelementen zijn verwerkt maar toch met name de sterke ritmesectie opvalt met daaroverheen de lustig solerende Ajache. In het zeven minuten durende en mysterieuze 'Le Vieux Chassier de Papillons' – een prachtige titel overigens – is Xaal in topvorm. De complexe compositie kent vreemde overgangen en breaks, heeft meerdere lagen, de gitaarsynthesizer speelt een hoofdrol en wat resulteert is een opzienbarende mengeling van Brand X en King Crimson. Maar de track die ik iedere keer weer opzet is het 11 minutende durende Byblos. Progressieve rock op z'n best met lang uitgesponnen solo's, heerlijke ondersteuning van de synthesizer, vreemde geluiden en een zichzelf langzaam vervormend thema.
Gevoelsmatig klopt het niet als ik 'En Chemin' het predikaat 'progressief meesterwerk' toe zou kennen. Daarvoor is de uniciteit van de muziek te gering en komen sommige composities net iets tekort. Maar, zoals de waardering laat zien, haalt Xaal op 'En Chemin' met glans de subtop. JoJo (2003)
Bezetting:
Patrick Boileau - drums, percussion
Nicholas Neimer - bass guitar
Jad Ayache - electric guitars, guitar-synth
Gasten:
Yvon Guillard - trumpet (track 2 and 8)
Alain Guillard - tenor saxophone
Stephane Jaoui - keyboards (track 2 and 8)
Discografie:
En Chemin (1991)
Seconde Ere (1995)
Reviews W
Robert Walter's 20th Congress -
Giving up the Ghost (2003)
Label: Magnatude Records
Bandsite: 20 thcongress.com
Duur: 56:15
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
'Robert Walter's 20th Congress'. Het lijkt de aankondiging voor een bijeenkomst van een Amerikaanse politicus, maar het betreft hier de band van de virtuoze hammond organist Robert Walter. In Europa een nog relatief onbekende artiest maar in de States inmiddels doorgedrongen tot de subtop van de progressive jazz-rock. De uit San Diego afkomstige toetsenist groeide op met de blues van Booker T & the MG's en Ramsey Lewis en raakte daarna geïnteresseerd in soul en electronic punk. Toen hij de jazz en jazz-rock uit de jaren 60 en 70 ontdekte, smolt hij al die invloeden aaneen tot een soort groove jazz-rock die vergelijkbaar is met wat Brian Auger deed en doet met zijn Oblivion Express. Een uitgangspunt van Walter is nieuwe elementen toevoegen aan 'oude' muziek en oude elementen toevoegen aan 'nieuwe' muziek en hij houdt van experimenteren. Composities ontstaan bij hem dan ook door langdurige improvisaties in de studio en tijdens live optredens. Thema's die op die wijze opborrelen worden vastgelegd in notenschrift en later uitgewerkt. Natuurlijk geen unieke maar wel een interessante werkwijze omdat veel tot stand komt op basis van gevoel. En dat is goed te merken.
Voor wie van hoekige ritmes ('hooks') houdt en van dansbare jazz-rock is 'Giving up the Ghost' een aanrader. Het is een album dat zich leent voor beluistering in de luie stoel maar feestgangers kunnen zich er ook uitstekend mee vermaken. Er gebeurt veel op dit album, niet in de laatste plaats door de creatieve manier van musiceren van deze jonge muzikanten en door de daaraan gekoppelde durf om verschillende muziekstijlen op een gewaagde manier in een track te verwerken. Het album opent sterk met 'Glassy Winged Sharp Shooter' waarbij de bass en drums heftig inwerken op het onderlichaam en de sterke sax van Gastelum de melodie bepaalt. Walter maakt hier indruk op de electrische fender rhodes piano. 'Aquafresh' is een nummer in de Brian Augertraditie met het heerlijke geluid van de hammond organ en een jazzgroove die in het hoofd blijft zitten. Knap wordt er gemusiceerd in één van de betere tracks 'Convex + Concave'. Het ritme kan zo mee in de 'house' en 'dance', de blaasarrangementen roepen herinnering op aan Weather Report en er sijpelen naar mijn gevoel invloeden van Happy the Man door. Bij 'Circle Limit' gaan mijn gedachten uit naar de fusionband United Future Organisation, vooral door de wijze waarop Walter loos gaat op de electrische piano en zijn pianogeluiden moduleert. 'Bygones Be' is een rustpunt met mooi dwarsfluitspel van wederom Gastelum en Walter is, zowel in de ingehouden solo als in de begeleiding, een verademing.
In 'Dump Truck' stijgt men tot grote hoogte. Een weergaloze en experimentele fusion van rock, blues en jazz terwijl de gitaarsolo van Will Bernard door Lowell George van Little Feat gespeeld zou kunnen zijn. De tracks 'Easy Virtue', 'Clear All Wires', 'Giving up the Ghost', 'Bet' en 'Underbrush' zitten allen in het segment van de groove jazz, zijn wellicht wat eenvormig maar maken toch indruk door de sterke thema's die goed blijven hangen en de knappe solo's van met name Walter en ontdekking Gastelum. Het zeven minuten durende 'Sacred Secret' licht ik er nog even uit. Hoewel het niet als live nummer wordt vermeld is er in ieder geval in fragmenten sprake van. 20th Congress klinkt live toch net even anders. Het is een up-tempo feestnummer dat enigszins – met name door de energieke manier van spelen en natuurlijk door het hammond organ – in de buurt komt van Niacin. Al zijn de heren van Niacin net even wat meer getekend door levens- en speelervaring dan de jonkies van 20th Congress.
Naast de karige hoes is een minpunt van dit album het drumspel. Hoewel Sluppick en Russo het klappen van de zweep kennen en een voorname rol spelen, zijn de drums wat klinisch geproduceerd waardoor het soms ten onrechte lijkt alsof er sprake is van een drumcomputer. Maar dat drukt de pret niet. 'Giving up the Ghost' is zeer regelmatig te vinden onder mijn laserstraal. Een heerlijk album waarbij de durf en creativiteit van Walter en zijn jonge honden opvallen. Het smaakt wat mij betreft naar meer. Als u uw eigen mening wilt vormen over deze muziek, kunt u een indruk krijgen via de downloads op de site van Robert Walter's 20th Congress. JoJo (1-2004)
Bezetting:
Robert Walter - hammond organ, fender rhodes piano, synths, samples, programs, effects
Cochemea Gastelum - alto sax, amplified alto sax, flute, bass clarinet, effects
Will Bernard - guitar
Chuck Prada - percussion
Joe Russo - drums
George Sluppick - drums
Chris Stillwell - bass
Mike Frantantuno - bass
Discografie:
Spirit of '70 (1996)
Health and Fitness (1999)
Money Shot (2000)
There Goes The Neighborhood (2001)
Giving up the Ghost (2003)
Super Heavy Organ (2006)
Reviews W
The Watch - Vacuum (2004)
Label: Lizard
Bandsite: Thewatch.it
Duur: 48:04
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ @ (max. score JoJo's)
Ik heb het niet zo op muzikale 'lookalikes'. Het is de materialisatie van de posters van Fish of Pink Floyd die aan de muur hangen van de tienerkamer. Hoewel het proberen te benaderen van je idolen een bepaalde passie uitstraalt die aandoenlijk is, vind ik de meeste pogingen naïef en niet geslaagd en bekruipt mij regelmatig het gevoel "bedenk zelf eens wat". Voorbeelden van bands waarbij dat gevoel zich voordoet zijn Ad Infinitum (Yes), Crucible (Genesis), Periferia del Mondo (PFM) en Simon Says (Genesis) en aan dat rijtje zouden er moeiteloos nog een aantal aan kunnen worden toegevoegd.
De Italianen van The Watch zijn hierop echter een grote uitzondering. Hoewel ook hun bronnen van invloed overduidelijk zijn - Genesis en Peter Gabriel - weten zij echter iets eigens aan de tracks en de sound toe te voegen waardoor ik het direct herken. Bovendien zijn de composities sterk en zit het muzikaal-technisch perfect in elkaar. Dat heeft er toe geleid dat het gevoel van lichte irritatie over het gebrek aan originaliteit zich slechts voordeed - en dan ook nog sporadisch - bij hun eersteling 'Twilight', die zij nog uitbrachten onder de naam The Nightwatch. Maar reeds daar openbaarde zich de hoge kwaliteit van de heren. Hetgeen zich voortzette in het schitterende album 'Ghosts'.
De ontwikkeling van de band heeft niet stilgestaan getuige hun nieuweling 'Vacuum'. Wat voorligt is een indrukwekkend album dat bol staat van de prachtige toetsen van Taglioni die immens en vol de oren binnenkomen, van de wervelende en goed geplaatste drums van Leoni en de typerende stem van Rossetti, de drijvende kracht achter The Watch. Een en ander gelardeerd met smaakvolle gitaarpartijen en dwarsfluit. Bovendien is Rossetti gelukkig ook nog gezegend met een redelijk tot goede uitspraak van het Engels, hetgeen niet van alle mediterrane zangers kan worden gezegd. De ontwikkeling van de band komt tot uiting in het feit dat de toetsen een nog belangrijker rol zijn gaan spelen, er meer rustpunten zijn toegevoegd en men tegelijkertijd wat hardere accenten heeft gelegd o.a. in het tien minuten durende titelnummer 'Vacuum'. Ondanks ook nu weer wat personele wisselingen, zijn de bandleden prima op elkaar ingespeeld en tonen zij een bepaalde 'losheid' en durf in het spel. Ze kennen elkaar blijkbaar goed want pas dan ben je in staat om durf te laten zien.
Bij de bespreking van de negen tracks (al staan er acht op de goed verzorgde hoes vermeld) weet ik eigenlijk niet waar te beginnen. Als ik er tracks uit zou lichten, doe ik andere hoogwaardige nummers tekort. Maar vooruit. 'Damage Mode' blijf ik maar draaien. Een prachtige melodielijn, een sterke opbouw en mysterieuze synths. De derde track 'Wonderland' zit vernuftig in elkaar en wordt ondersteund door mooie mellotrons. En 'Shining Bald Heads' leidt bij mij door de symfonische grandeur aan het einde tot kippenvel. In het titelnummer tenslotte trekt men alle symfonische registers open en toont men het gehele spectrum aan kwaliteiten. Een reprise van het intro 'Hills' en de daaraan gekoppelde wegstervende geluiden aan het einde vormen een waardige afsluiting en maken het album 'rond'. De aantrekkelijke lengte van 48 minuten draagt daar ook aan bij want dat stelt mij beter in staat het als een geheel te ervaren. Zijn er dan geen minpunten? Misschien één. De (samen)zang in 'Goddess' lijkt niet altijd even zuiver, maar ik sluit niet uit dat er opzet in het uitmuntende spel is.
'Vacuum' is een intrigerend en wat mij betreft emotief album. Het laat horen hoe mooi symfonische muziek kan zijn. Het laat voelen dat de onderbuik niet alleen geraakt kan worden - zoals zo vaak wordt gedacht - door dansritmes maar ook door melodielijnen en goed doordachte arrangementen. Zoals gezegd heb ik bij muzikale 'lookalikes' vaak het gevoel "bedenk zelf eens wat", bij The Watch hoop ik echter "blijf dit bedenken a.u.b.".
JoJo (11-2004)
Bezetting:
Simone Rossetti - vocals, flute, dtambou, atmospheres
Ettore Salati - electric, acoustic and 12-string guitars, bass pedals
Roberto Leoni - drums, percussion
Marco Schembri - bass guitars, electric and acoustic guitars
Sergio Taglioni - piano, mellotron, organ, moogs, synths
Discografie:
Twilight (1997/als The Nightwatch)
Ghosts (2001)
Vacuum (2004)
Reviews W
Weltraumstaunen - Weltraumstaunen (2001)
Label: Nasoni Records
Bandsite: Weltraumstaunen.de
Duur: 47:51 (excl. 'ghost track')
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Om het beeld van de Duitse psychedelische- en spacerock scène nog iets scherper te stellen wil ik hier aandacht besteden aan Weltraumstaunen, een studioproject van Dave Schmidt uit 2001. Voor wat achtergronden van deze scène verwijs ik naar recensies van Sula Bassana en de band Vibravoid (zie reviews onder 'S' en 'V'). Kort door de bocht worden deze artiesten en bands sterk beïnvloed door Gong en door Pink Floyd in hun beginjaren, maar weten zij een significant eigen geluid en persoonlijke toets toe te voegen. Dat laatste geldt helaas slechts ten dele voor Weltraumstaunen. Bovendien ligt het geluid en de stijl van deze band in een aantal tracks wat meer in de richting van de solo-albums van ex-Gonglid Steve Hillage.
Associaties met Hillage maar ook met Ozric Tentacles doen met name opgeld in de eerste tracks 'Pollenflug' en 'Clockline'. Geen schokkende maar prima en lekker in het gehoor liggende up-tempo en gitaargedomineerde spacesongs. De voeten en handen gaan al gauw meebewegen op de pakkende ritmes. De volgende twee composities zijn echter doordrenkt met Pink Floyd ten tijde van 'Meddle'. 'Kraut' vind ik op zichzelf heerlijk klinken, al zijn de typische en voor iedere progressieve rockliefhebber bekende 'Echoes-piepjes' schaamteloos als uitgangspunt genomen. Hoewel ik moet toegeven dat de leden van Weltraumstaunen vaardig met dat uitgangspunt spelen en jongleren.
Het ruim 21 minuten durende en volgens mij met name door improvisatie tot stand gekomen 'Astonished ….. Like the Universe', is lekker freaky en experimenteel. Het plezier dat men had tijdens het maken van deze track spettert er weliswaar af, maar er had wat mij betreft een overdosis minder Floyd in gemogen. Zelfs de ritmes komen bijna naadloos uit 'Echoes'. Het album sluit af met het curieuze 'Last Flight', waar vreemde stemmen en geluiden mij meevoeren naar de weldadige stilte die volgt. Geheel in stijl volgt na 19 minuten absolute stilte nog een 'ghost track' c.q. wat 'ghost noises'.
Zaken in retrospectief zetten kan prima zijn op zijn tijd, maar wat ik waardeer bij bijvoorbeeld Vibravoid is dat die band daar iets eigens aan toevoegt. Wat Dave Schmidt ook goed lukt bij Sula Bassana. Maar hier gebeurt dat veel te weinig. Wat resteert is de indruk dat een significant deel van de tracks net zo goed demo's of studioprobeersels van de echte Floyd hadden kunnen zijn. Van die verloren gewaande tapes die jaren nadien in de krochten van The Abbey Road Studios worden gevonden. Ik zou het nog hebben geloofd ook en dat is op zichzelf een kwaliteit. De band haalt hier weliswaar een voldoende, maar Dave Schmidt cs. kunnen meer. Helaas laten ze dat te weinig horen op het overigens in een mooie en treffende hoes gestoken 'Weltraumstaunen'. JoJo (8-2004)
Bezetting:
Dave Schmidt - guitars, bass, synthesizer, organ, drumprogramming, drums and voices
Andy Heinrich - vocals, guitars, drums, organ, synthesizer and sounds
Silk Heinrich - bass and vocals
Discografie:
Weltraumstaunen (LP 1999/CD 2001)
Weltraumwelt (LP 2004)
Reviews W
White Willow - Storm Season (2004)
Label: The Laser's Edge
Bandsite: Whitewillow.net
Duur: 47:24
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)
White Willow kon een potje bij mij breken. Ondanks het feit dat men het niveau van het debuut 'Ignis Fatuus' op de vervolgalbums niet altijd haalde, werden de schijven frequent beluisterd. De donkere muziek waarin de poolnacht schemert en waarin slechts af en toe een straaltje midzomernacht doorbreekt, raakte mij - zelfs bij de wat mindere werkstukken - keer op keer. Ik kon mij laven aan de weldadige somberheid en werd daar paradoxaal genoeg soms nog vrolijk van ook. Maar het potje is door 'Storm Season' nu echt uiteengevallen in duizend stukken en hoogstwaarschijnlijk slechts nog met moeite te restaureren. Wat is er dan mis met dit laatste wapenfeit?
Wat bij White Willow altijd hoog scoorde waren de prima composities, de prachtige mellotrons die bij uitstek geschikt zijn om Scandinavische sferen te verbeelden, de afwisseling tussen de tracks, de verrassingen in de nummers en 'last but not least' de muzikaal-technische kwaliteiten van Jacob Holm-Lupo en consorten. De hoge scores op deze onderdelen worden op het wat meer door gitaren gedomineerde 'Storm Season' soms maar vaker niet gehaald. En dat zit met name in de eenvormigheid van de tracks en de twijfelachtige kwaliteit van de zangeres. Sylvia Erichsen zingt in het hoog uitermate geknepen en onzuiver. Luister maar eens naar haar stem in de compositorisch acceptabele openingstrack 'Chemical Sunset'. Ik heb gelukkig geen hond maar als ik er een had dan zou hij jankend en in overspannen toestand het pand verlaten. In combinatie met bepaalde arrangementen, zoals in 'Soulburn', zit de zang wat mij betreft zelfs in de valse regionen. In ieder geval is de 'match' en de synergie afwezig tussen de toetsen en gitaren enerzijds en de vocalen anderzijds.
'Sally Left' is een redelijk maar in de White Willow catalogus niet bijster origineel nummer waarin de viool mooi klinkt, de mellotrons dreigend ondersteuning bieden en Johannes Saeboe een prima Floydiaanse gitaarsolo laat horen. 'Endless Science' kent een mooi, tokkelend gitaarthema en een wat jazzy tussenstukje. De zang klinkt echter oppervlakkig. 'Soulburn' begint veelbelovend met invloeden van King Crimson en zang van Finn Coren maar als het refrein aanbreekt en Erichsen invalt ontspoort men zoals gezegd vocaal volledig en is de 'match' tussen toetsen, gitaren en stem ver te zoeken. 'Insomnia' bevat een heerlijk dromerig klinkend orgel, verrast gelukkig wel door breaks en wendingen en heeft van die ingetogen delen à la King Crimson met de mellotron op de achtergrond. De melodie in de titeltrack komt mij wederom bekend voor en is matig gezongen. Het album sluit af met het door gitaren gedomineerde 'Nightside of Eden' waarin de band kundig van leer trekt, de orgelsolo op de Hammond B3 geweldig klinkt maar de zang, het wordt eentonig en dat is een goed woord in dit verband, wederom zorgt voor puntenaftrek. Gelukkig sluit, om de pijn te verzachten, een heerlijke symfonische gitaarsolo deze track en het album af.
White Willow heeft met 'Storm Season' het minste album in haar historie afgeleverd. Een potje konden ze bij mij breken maar het ligt nu welhaast onherstelbaar aan gruzelementen. Er zal veel herstelwerk nodig zijn om mij in de toekomst weer te kunnen overtuigen. Of gloort er licht in de duisternis van de poolnacht? Zangeres Sylvia Erichsen schijnt na de opnames van 'Storm Season' met de noorderzon vertrokken te zijn en is inmiddels vervangen door Trude Eidtang. Een driewerf "Hoera!" Dat biedt perspectief voor de toekomst. JoJo (11-2004)
Bezetting:
Jacob Holm-Lupo - electric, acoustic and classical guitars, keyboards
Johannes Saeboe - electric guitars, electric baryton guitar
Sylvia Erichsen - vocals
Lars Frederik Froislie - piano, mellotron M400, hammond B3, mini-moog, synthesizers, fender rhodes, wurlitzer, glockenspiel
Marthe Berger Walthinsen - 4 & 5 string bass guitar, tambourine
Aage Moltke Schou - drums, percussion
Ketil Vestrum Einarsen - flutes, microsynth, tambourine
Sigrun Eng - cello
Finn Coren - vocal
Teresa K. Aslanian - ghost voice
Discografie:
Ignis Fatuus (1995)
Ex Tenebris (1998)
Sacrament (2000)
Storm Season (2004)
Signal to Noise (2006) (zie Reviews 2006)
Reviews W
Robert Wyatt - Cuckooland (2003)
Label: Rykodisc
Bandsite: Rykodisc.com
Duur: 75:46
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Het platenlabel 'Rykodisc', o.a. bekend door de catalogus van wijlen Frank Zappa, grossiert in de wat meer obscure artiesten. Muzikanten die eens in de zoveel jaar een album uitbrengen en verder in afzondering hun leven leiden. Robert Wyatt, de vroegere drummer van de legendarische Soft Machine en van Matching Mole, is één van hen. Na zijn dramatische val in 1972 en zijn onvermogen om sindsdien te drummen leeft hij min of meer als kluizenaar, samen met zijn onafscheidelijke Alfreda 'Alfie' Benge die op zijn solo-albums en ook op 'Cuckooland' haar stem laat horen.
Robert Wyatt maakt muziek en heeft een stem waar je van houdt of niet. Een middenweg is nauwelijks mogelijk. De stembanden kraken aan alle kanten en Wyatt begeeft zich nog steeds in de hogere regionen van de toonladder. En de muziek is 'weird' en absurd, waarbij het lijkt alsof de songs in een geheel andere wereld tot stand zijn gekomen. Een droomwereld waarin een romantisch verlangen naar vroeger, naar de tijd waarin geesten zich nog in de donkere bossen vertoonden, de trollen in de mist dansten en heksen je buurvrouw waren. Maar Wyatt is zeker niet autistisch voor de barre werkelijkheid van de moderne samenleving. Als je de teksten meeleest zoals in de vierde track 'The Forest' dan neemt hij je via een geheim pad vanuit het mystieke maar aantrekkelijke bos mee naar de verschrikkingen van Auschwitz en de dodenkampen in Lety. Daarmee laat hij zien hoe mooi het zou kunnen zijn en hoe erg het feitelijk is. En dat doet hij vaker op deze schijf. Zo denk je dat Wyatt 'slechts' de lieflijkheid van een schaap bezingt, in het volgende couplet van 'Life is Sheep' declameert hij 'Live is sheep if you live on a farm. Instead of names the animals all have numbers. So you won't get too attached'.
Ook op dit album van Wyatt overheersen de prachtige klanktapijten van piano en keyboards, de vervormde trompetten en trombones die we ook al kennen van zijn meesterwerk 'Rock Bottom' en de ijle vocale harmonieën die als een warme deken over de instrumenten hangen. En zoals zo vaak omringt hij zich met louter topmuzikanten zoals David Gilmour, Brian Eno en Phil Manzanera. Door de ijlheid van de produktie en de stemmen heeft 'Cuckooland' de sfeer van 'ambient music' maar er schemert veel jazz doorheen.
Het album bestaat uit twee delen 'neither here …' en '… nor there, die qua sfeer niet veel van elkaar verschillen. De twee delen zijn gescheiden door dertig seconden stilte, volgens Wyatt 'A suitable place for those with tired ears to pause and resume listening later'. Uitschieters zijn wat mij betreft het eerdergenoemde 'The Forest', het tekstueel en compositorisch sterke 'Old Europe' waarin Wyatt zelfs weer drumt, het mysterieuze "Beware' en het vreemde 'Life is Sheep'. Maar er staan wat mij betreft geen zwakke nummers op 'Cuckooland', hoewel het Zuid-Amerikaans getinte 'Insensatez' mij minder bevalt. Te vrolijk en te aards in vergelijking met de sfeer die de rest uitademt.
Oudgediende Wyatt heeft zoals zo vaak weer een indrukwekkend werkstuk afgeleverd, waarvan de kwaliteit ook tot uitdrukking komt in de schitterende door zijn vrouw ontworpen hoes. Het album geeft de mogelijkheid tot romantisch wegdromen maar zet ook aan tot nadenken. Wat dat aangaat zet Wyatt de luisteraar zowel tekstueel als muzikaal soms op het verkeerde been om hem of haar uiteindelijk weer met beide benen op de grond terecht te laten komen. Dat is een te koesteren kwaliteit. JoJo (12-2003)
Bezetting:
Robert Wyatt - vocals, cornet, keyboards, trumpet, percussion
Met o.a.
Alfreda Benge - vocals
David Gilmour - guitar
Brian Eno - voices
Phil Manzanera - vocals
Karen Mantler - vocals, keyboards, harmonica
Michael Evans - drums
Gilad Atzmon - saxes, clarinet
Annie Whitehead - trombone
Discografie:
The End of an Ear (1971)
Rock Bottom (1974)
Ruth Is Stranger Than Richard (1975)
The Animals Film (1982,
Soundtrack)1982-84 (1984)
Nothing Can Stop Us (1985)
Old Rottenhat (1986)
Dondestan (1991)
A Short Break (1992)
Mid-Eighties (1993)
Flotsam Jetsam (1994, compilation)
Shleep (1997)
Cuckooland (2003)
Solar Flares Burn For You (2003)
Reviews Y
Stomu Yamashta –
The Complete Go Sessions
(1976/1977)
Label: Raven Records
Bandsite: -
Duur: 71:45 + 75:31
Reviewer: JoJo
Waardering: (uit max. 5 JoJo's)
Go @ @ @ Go Live @ @ Go Too @ @ @ @ @
Toen ik las over de release van ‘The Complete Go Sessions’ van Stomu Yamashta dacht ik te maken hebben met een uitgave vol ‘outtakes’, bonustracks en ‘rehearsals’. Doorgaans overbodig materiaal. Gelukkig bleek het te gaan om een hernieuwde uitgave van de drie albums van Stomu Yamashta’s project ‘Go’, helaas niet geremastered en nu verspreid over twee discs in een netjes verzorgde uitgave. Een goed initiatief omdat die werken al lang ‘out of print’ waren.
Japanner Stomu Yamashta is een artiest die zich voornamelijk in het avant-garde circuit beweegt en zich daarin vaak richt op het componeren van muziek voor films en theaterstukken. Het segment waarin illustere namen als Steve Reich, Phillip Glass en Michael Nyman zeer succesvol zijn. Yamashta is er in de ruim drie decennia dat hij actief is niet in geslaagd om zich in die hoek definitief als grote naam te vestigen. Althans op het Westerse grondgebied van dat segment. In Japan is hij beduidend succesvoller. Zo af en toe maakte Yamashta uitstapjes naar de wondere wereld van de (progressieve) rock.
Het project ‘Go’ uit midden jaren zeventig is daarvan het meeste bekende voorbeeld. De titel verwijst naar het bordspel waarin tegengestelden als toeval en bewuste strategie, realiteit en fantasie, verlies en winst een rol kunnen spelen, gelijk het leven. In het project wist hij mensen als Steve Winwood, Michael Shrieve, Al Dimeola en Klaus Schulze aan zich te binden. Daarna hebben we in onze contreien nog maar weinig van de man vernomen. Nu speelt dus de heruitgave van genoemde drie albums, die ik hier per stuk bespreek met uiteenlopende waarderingen.
Go (1976)
Dit eerste hoofdstuk in de trilogie ‘Go’ begint veelbelovend met het prachtige en gevoelige ‘Solitude’ waar de strijkers op korte afstand de melodie volgen en Winwood breekbaar, hij zou niet anders kunnen, een relatief korte tekst zingt over eenzaamheid en andere ellende. ‘Nature’ en ‘Air Over’ vormen onheilspellende intermezzi als opmaten voor ‘Crossing the Line’. Een redelijk nummer, gezongen door Winwood. De uitwerking is een andere dan Winwood’s thuisband zou hebben gegeven, maar ik weet zeker dat het ook als compositie de ballotage bij Traffic niet zou hebben doorstaan. Het up-tempo en ritmische ‘Man of Leo’ is een matige track met een simplistisch themaatje, een slecht geplaatste en zeer lelijk klinkende kerkklok en trompetten die schallen alsof ze uit een Casio’tje komen. De prima gitaarpartijen van Dimeola maken echter weer wat goed.
En dat geldt voor veel tracks op deze schijf. De individuele prestaties zijn vaak goed tot uitstekend maar de composities, zeker daar waar het de songs betreft, blijven hangen op gemiddeld niveau. En daar is Yamashta zèlf voor verantwoordelijk. Dieptepunt is ‘Ghost Machine’ dat ik als ronduit slecht beschouw. Een draak van een compositie. Het van Traffic bekende ‘Winner/Loser’ is natuurlijk prima maar hoort in het geheel niet thuis op ‘Go’ en wordt enigszins verziekt door de overbodige strijkers. De muzikale ‘tussenstukken’ zoals ‘Stellar, ‘Space Requiem’ en ‘Carnival’ zijn daarentegen sfeerbepalend en van hogere progressieve kwaliteit, met name door de creativiteit van Schulze op keyboards en de experimentele percussie van Shrieve.
Het geheel overziende kom ik, zelfs na dertig jaar rijping, tot krap drie JoJo's. En die score komt dan nog zo hoog door de instrumentale fragmenten op ‘Go’.
Go Live (1976)
Dit album bevat een liveregistratie van het ‘Go’ album waarbij de tracklist door elkaar is gehusseld. Ook hier heeft Winwood een sleutelrol en zingt zeer ‘soulful’. Zijn stem is zo karakteristiek dat er onvermijdelijk veel associaties zijn met Traffic en Blind Faith. Per saldo is er dan ook vaker sprake van rock dan van progressieve rock.
Bij het oorspronkelijke verschijnen en ook nu ervaar ik ‘Go Live’ als rommelig. Het vormt geen geheel, wellicht door het veranderen van de volgorde van de tracks - ik ga er altijd maar vanuit dat die niet voor niets in een andere volgorde stonden op het studioalbum - en ook de band is niet op elkaar ingespeeld. Je hoort dat men elkaar zoekt zonder elkaar te vinden, met als gevolg doelloos gefröbel. ‘Man of Leo’ is daarvan niet de enige maar wel de beste illustratie. Toch vreemd voor zulke grote namen. Het achtergrondkoortje is het zwakst van allen. Wat niet betekent dat er geen mooie momenten zijn op te tekenen in het drumwerk van Shrieve of de scheurende gitaarsoli van Dimeola in o.a. ‘Crossing the Line’. Men weet echter live absoluut de sfeer niet te raken die het studioalbum wel bezit. Ik had verwacht dit livealbum na zoveel jaren positiever te ervaren. Ik vind het echter nog net zo matig als voorheen.
Go Too (1977)
De absolute kroon op het project zette Yamashta met ‘Go Too’. Winwood maakte toen geen deel meer uit van het project. Ik vond en vind dat absoluut geen gemis. Ik ben een groot fan van hem en vooral van Traffic, maar zijn kenmerkende stem trok een te sterke wissel op het geluid van het project.
Op ‘Go Too’ laten de projectleden horen dat zij zowel compositorisch als muzikaal-technisch hun draai hebben gevonden. Het gebruik van meerdere zangers leidt bovendien tot meer variatie. De toevoeging van Linda Lewis, met haar geknepen stem voor sommigen een bezoeking maar voor mij een revelatie, geeft het geheel meer ‘soul’. Het album kent ook de structuur die ‘Go’ node miste: het is ‘rond’ met een ‘Prelude’ als kop en het prachtige ‘Ecliptic’ als staart met de zes tussenliggende tracks als weldadige ‘body’. Waarin het wervelende ‘Seen You Before - met een excellerende Dimeola - en het emotievolle ‘Mysteries of Love’ de ruggengraat vormen. Hoe mooi klinken in deze track de zang van Lewis en Jess Roden, de prachtig geproduceerde gitaarsolo van Pat Thrall en de ondersteunende orkestrale arrangementen van Martin ‘Caravan’ Ford. Koude rillingen die zich zonder moeite voortzetten in ‘Wheels of Fortune’ en ‘Beauty’. Deze laatste met een fenomenale gitaarpartij van Dimeola en prachtige onderwatergeluiden van walvissen. Waren de songs op ‘Go’ op het randje, hier is zonder uitzondering sprake van meer dan uitstekende songs.
‘Go Too’ maakte mij toen en nu duidelijk dat progressieve elementen heel goed kunnen samengaan met soul en funky ritmes. Hetgeen tot op heden te weinig gebeurt. ‘Go Too’ is een meesterwerk dat veel goed maakt van het behoorlijke puntenverlies dat de twee andere delen van de trilogie veroorzaakten.
JoJo (12-2005)
Bezetting
o.a:
Stomu Yamashta - percussion, piano
Steve Winwood - vocals, keyboards
Michael Shrieve - drums, percussion
Klaus Schulze - keyboards
Al Dimeola - acoustic and electric guitars
Pat Thrall - guitars
Linda Lewis - vocals
Jess Roden - vocals
Discografie (selectie)
Red Buddha (1971)
Floating Music (1972)
Contemporary Works(1972)
The Man From the East (1973)
Freedom Is Frightening (1973)
Takemitsu Ishi(1973)
One By One (1974)
Raindog (1975)
Go (1976)
Go Live (1976)
Go Too (1977)
Hito (1980)
Iroha (1981)
Sea & Sky (1983)
Kukai (1984)
Listen to the Future, Volume 1 (2001)
Tofu (2002)
Reviews V
Janos Varga Project -
The Wings of Revelation I (2000)
Label: Periferic Records
Bandsite: www.guitar9.com
Duur: 47:57
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
De gitaarwizard en keyboardspeler Janos Varga loopt al heel wat jaren mee in de progressive scene. Samen met Istvan Kiraly speelde hij van 1981 tot 1994 in de Hongaarse band East, waarmee zij zes albums opnamen. Bij mij nog onbekend maar hun album 'Hûség' (1982) schijnt een symfonisch meesterwerk te zijn. De kwaliteit van dit meest recente project van Varga maakt in ieder geval nieuwsgierig naar de catalogus van East. Overigens leveren zijn beide kompanen Istvan Kiraly en Zoltan Lengyel bijdragen aan After Crying.
'Wings of Revelation' is een werkstuk dat gekarakteriseerd kan worden als excellente instrumentale progressive rock. Meestal komen vergelijkingen met andere bands terecht in eenzelfde muzieksegment. Maar beluistering van deze schijf leidt enerzijds tot associaties met vooral Pink Floyd en in mindere mate Camel als het gaat om de rustiger, atmosferische passages. Varga schaart zich daarin met zijn gitaarspel in de rij die wordt aangevoerd door David Gilmour en Andrew Latimer. Anderzijds hoor ik in de up tempo en complexere tracks en passages The Mahavishnu Orchestra doorklinken ten tijde van 'Visions of the Emerald Beyond' en 'Birds of Fire'. En u zult het met mij eens zijn: Pink Floyd en Mahavishnu liggen mijlenver uit elkaar. Toch komt het bij Varga c.s. allemaal op hoog niveau voorbij. De band en met name Varga zelf schijnt live een ware sensatie te zijn. En daar kan ik mij van alles bij voorstellen.
Het album opent met het uit zes delen bestaande 'I Must Be Going'waarin goed in het gehoor liggende thema's worden aangekleed met virtuoze gitaarsolo's en zowel ingetogen als ruw maar doordacht keyboardspel van Zoltan Lengyel. Door de afwisseling en verrassende wendingen zijn de 19 minuten voorbij voordat je het weet. Het is een doos van Pandora waaruit iedere keer weer nieuwe dingen tevoorschijn komen. En dat geldt eigenlijk ook voor de rest. Andere hoogtepunten zijn 'Matching Souls' waarin in de jazz-rock traditie à la Mahavishu wordt gesoleerd door gitaar en synthesizer alsof de duivel hen op de hielen zit. Via de rustiger en sfeervolle intermezzi, zoals delen van 'All I Can Give', komen we uit bij het titelnummer dat het geheel afsluit. De band gaat hier loos, ontspoort en men vindt elkaar weer aan het einde. Vooral dit nummer smaakt naar een live optreden van deze band, al zullen deze Hongaren Nederland niet snel aandoen denk ik.
Het art-work is goed verzorgd maar niet bijzonder. Het bevat wel een overzicht met alle releases die door de betrokken zijn uitgebracht zowel solo als in groepsverband (bijvoorbeeld in East, Art Reaktor en Energy Project). Janos Varga en zijn kameraden zijn een ware revelatie voor mij. Zoals men op de hoes vermeldt "This music is a step into a world, where fantasies fly high and nothing can stop the wings of revelation, where past meets present". Zo is het en zo klinkt het ook. Op naar het vervolg 'Wings of Revelation II'.
JoJo (2003).
Bezetting:
Istvan Kiraly - drums
Zoltan Lengyel - piano, keyboard solos
Janos Varga - guitars, keyboards
Discografie:
Janos Varga Project
Into the Light (1998)
Wings of Revelation I (2000)
Wings of Revelation II (2002)
East
Jatekok (1981)
Huseg (1982)
The Victim (1984)
A Szerelem Sivataga (1988)
Két Arc (live) (1994)
Radio Babel (1994)
Reviews V
Vibravoid - Void Vibration (2002)
Label: Nasoni Records Berlin
Bandsite: Vibravoid.de
Duur: 42:44
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Op mijn voordurende zoektocht naar nieuwe muziek, belandde ik enige tijd terug in de Duitse scène van psychedelische- en spacerock. Deze scène herbergt een afgeladen kweekvijver aan talent: Weltraumstaunen, Sula Bassana (zie review onder 'S'), Liquid Vision, Zone Six, Colour Haze, Mandragora Light Show Society en Guru Guru zijn slechts een paar voorbeelden. Deze bands halen hun inspiratie uit en gaan voort op de psychedelische paden die o.a. Hawkwind, Gong en de vroege Pink Floyd hebben uitgezet. Zij voegen daar hun eigen geluid aan toe en zetten hedendaagse technieken in om geluidseffecten en vaak dansbare ritmes te creëren. Verder zijn zij verbonden door een rode draad in hun retro artwork met invloeden vanuit de Pop Art en Flower Power en brengen zij doorgaans hun albums niet slechts op CD uit maar ook op vinyl. Vibravoid is ook één van die loten aan in dit geval de Berlijnse stam.
Hun tweede album 'Void Vibration' uit 2002 heeft mij aangenaam verrast en siert regelmatig de laserstraal. Vibravoid is in staat zowel loos te gaan in experimentele spacetracks als ook goede en melodieuze songs te schrijven die direct blijven hangen. Met name in de up tempo songs gebruiken zij de theremin. De theremin werd ooit in 1918 bedacht door Leon Theremin en is een elektronisch muziekinstrument dat kan worden bespeeld zonder het aan te raken. Er zijn één of soms ook twee antennes aan bevestigd waaromheen zich elektromagnetische velden bevinden. Door het bewegen van de handen binnen die velden kan geluid worden opgewekt en kan de toonhoogte en het volume van een toongenerator worden beïnvloed. De meest vreemde geluiden zijn het gevolg. Het instrument werd o.a. gebruikt door Captain Beefheart en zelfs door The Beach Boys op hun legendarische album 'Pet Sounds'. Op dit moment zetten o.a. Radiohead en nu dus ook Vibravoid het in tijdens live-optredens en studio-opnames.
De theremin wordt al direct beroerd in het hallucinerende openingsnummer 'Black and White'. Christian K. zingt hier lispelend à la Syd Barrett , de gitaren en synths klinken heerlijk spacy en de vreemde geluiden uit de theremin vliegen om de oren. Een opening die staat. 'Creepy People' is vervolgens een voorbeeld van een prima, relatief rustige song met een pakkend refrein. Mijn zoon van zes ging bij beluistering direct dansen als een eng spook met grijpende vingers. Dat zegt wellicht iets over hem maar zeker over het vermogen van Vibravoid om de juiste stemming over te brengen. Een hoogtepunt vind ik 'Adjustment' dat zeer vernuftig in elkaar steekt, veel Floydsfeer heeft en verrassende breaks kent. Ik kan er niet rustig bij blijven zitten. Ten overvloede is overigens ook de singleversie van dit nummer als bonustrack toegevoegd.
Een hoogtepunt wordt wederom bereikt in 'Echovoid' waarin een sitar het thema bepaalt. De track ontwikkelt zich langzaam maar zeker en duurt wellicht wat lang. Maar om in hoger sferen te komen is dat natuurlijk ook nodig. Via de spacepunk van 'Vivid Vision' met lijntjes naar The Ramones en het korte elektronische intermezzo 'Electrovoid', belanden we bij 'Void Vibration'. Een geweldig nummer van ruim twaalf minuten waarop ik kan wegdromen en dat perfect past bij de landerige sfeer die er momenteel door het bloedwarme weer hangt. Alleen bij minuut acht ligt een cesuur. Wat dan volgt is een vier minuten durende hersenspoeling met geordende herrie van feedback distortion, wapperende handen om de theremin en synthsequences. Het getuigt van durf om dit te doen en het zal niet door iedereen gewaardeerd worden maar ik heb dit soort muziek af en toe nodig. De schijf sluit in zinsbegoochelende stijl af met 'Silent Screams'. Een dreigend nummer waarin enge stemmen bezweringen over mij uitstrooien zoals het cliché "love is freedom" en, speciaal voor de vegetariërs onder ons, "meat is murder".
Vibravoid heeft met 'Void Vibration' mijn hart en natuurlijk met name de geest gestolen. Het album biedt een smaakvolle reis door de underground van de muziekhistorie waarbij het vervoermiddel wordt gevormd door de hedendaagse technieken en compositorische kwaliteiten van deze Berlijners. Op naar de aanschaf van de rest van hun catalogus.
JoJo (8-2004)
Bezetting:
Sven S - percussion
Peter M - bass narcotics
Michael G - synthi, theremin, effects
Christian K - guitar, vocals, theremin, sitar, synthi, effects
Discografie:
2001 (CD 2000/LP 2003)
Void Vibration (CD 2002/LP 2003)
Phasenvoid/Retronique (with Sula Bassana/ CD 2003)
Turned in Acid (CD/LP 2003)
Verder vele 7' singles en compilatie-albums
Reviews T
Ty Tabor – Rock Garden (2006)
Label: Inside Out Music
Bandsite: www.tytabor.net
Duur: 45:58
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Het lijkt wel alsof men in de hardere regionen van de progrock wedijvert in het verkrijgen van de prijs voor de meest afzichtelijke hoes. Schreef ik bij de laatste Sherinian (zie Reviews S) al over een aaneenschakeling van gemeenplaatsen, de hoes van ‘Rock Garden’ van Ty Tabor is typografisch en ontwerptechnisch een gedrocht. Slechter en lelijker kan bijna niet. Dit geldt echter geenszins voor de muziek. Dit derde solowerk van Tabor bevat rock op een stevig fundament, met een progressieve ondertoon en veel Beatle-invloeden in de composities en vooral ook in de (samen)zang waarin hij neigt naar Lennon. En soms ontwaar ik in zijn klank en dictie ook een ander idool van Tabor: Alice Cooper. Verwacht geen geweld à la Platypus of King’s X – respectievelijk de vroegere en huidige werkgever van deze klassegitarist – want daar is op deze relatief ingetogen schijf weinig van terug te vinden. De meeste associaties heb ik nog met The Jelly Jam, het prima project waar hij ook al twee albums deel van uitmaakt.
Tabor kiest voor melodie en voor een traditionele songopbouw en dat levert een heerlijk album op dat heel sterk aftrapt met ‘Ride’. Zo’n track waarvan je de refreinen na beluistering de gehele dag niet meer uit het hoofd krijgt, als je dat al zou willen, en het ritme aanstekelijk werkt. Het laatste deel van de track kent van die lekkere rinkelende en tinkelende akkoorden van de rhythm guitar waaroverheen Tabor uitbundig soleert. Deze karakteristiek geldt tevens voor ‘I Know What I’m Missing’ - waar Tabor volgens mij te laag inzet met zijn stem - voor de ballade ‘Beautiful Sky’ en voor ‘Afraid’ met een heerlijke naar George Harrison verwijzende ‘slide’. ”Mensen zijn niet bang, ze leren bang te zijn”, zingt Tabor. Zo is het. Uitschieter vind ik het agressieve ‘Play’ dat een progressieve boventoon heeft vanwege het bescheiden experiment en de complexe meerlagige structuur. Progressief en dat terwijl er op het gehele album geen toetsen worden gebruikt. Ik mis ze ook geen moment. Deze loftuitingen gelden ook voor de overige vijf tracks. Die zijn in de goede zin van het woord meer van hetzelfde. Met uitzondering dan van de matige track ‘She’s A Tree’ met een enigszins lachwekkende tekst - je zal je vriendin maar vergelijken met een boom - maar met name vanwege de oppervlakkigheid en naar ‘middle-of-the road’ neigend gemak.
Tabor is een artiest die naast zijn begenadigde kwaliteiten als gitarist de kunst van het ‘songwriten’ uitstekend beheerst. Tijdens een eventuele zoektocht naar melodieuze rock met enige diepgang kan ‘Rock Garden’ dan ook met een gerust hart worden aangeschaft. Leg wel de hoes consequent uit het zicht. Dan bezwaart die visuele ergernis het luisterplezier tenminste niet.
JoJo (08-2006)
Bezetting:
Ty Tabor - guitars, bass, vocals and background vocals
Jerry Gaskill - drums
Wally Farkus - some lead and rhythm guitars
Christian Nesmith - bass, background vocals
Discografie:
Moonflower Lane (1998)
Safety (2002)
Rock Garden (2006)
Reviews T
Tiles - Fence the Clear (1997)
Label: Inside Out Music
Bandsite: Tiles
Duur: 57:42
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
De superlatieven voor de progressieve rockband Tiles zijn immens. Ian Anderson van Jethro Tull noemt hen "...one of the brighter hopes for the musical millennium". En Mike Portnoy van Dream Theater stelt over 'Presents of Mind', hun meest recente werkstuk, "It's the CD I've been waiting for Rush to make in recent years". Zijn deze loftuitingen terecht of wordt de lat te hoog gelegd voor deze band uit Detroit? Ik zal proberen een voorlopig antwoord te geven aan de hand van hun vorige studio-album 'Fence the Clear' uit alweer 1997.
Toen ik dit album de eerste malen beluisterde was ik enigszins teleurgesteld omdat ik niet los kon komen van de gedachte dat ik naar een tweede Rush zat te luisteren. Niet zozeer door de zang, want de stem van de prima zanger Paul Rarick heeft een andere aanzet en beweegt zich op een andere toonhoogte dan die van Geddy Lee. De overeenkomst met Rush zit met name in de synergie tussen de gitaar en de ritmesectie: hoekige ritmes met die typische breaks waar de gitaar in meegaat – of andersom desgewenst – soms gelardeerd met begeleidende accenten van de keyboards. Een werkwijze die Rush ook bijna altijd volgt. Samenwerking met de Rush-producer/engineer Terry Brown doopte vervolgens ook het geluid van deze schijf in een Rush-saus. Maar gaandeweg is het mij gelukt om op 'Fence the Clear' de Tiles-eigen elementen te vinden.
Bij het doorgronden van een album let ik meestal pas in tweede of latere instantie op de teksten. Primair staat voor mij de muziek. Hoewel dat ook hier gold, vielen de teksten van Chris Herin mij snel op. De wijze waarop zij de mens in deze complexe maatschappij centraal stellen, spreekt mij zeer aan. Zonder nu direct Tiles neer te zetten als een maatschappijkritische band, blijkt wel dat zij verder kijken dan hun neus lang is en zich niet uitsluitend verlaten op de meer filosofisch en mythologisch getinte teksten zoals die gewoon zijn in het progressieve en symfonische muzieksegment. "Politicians voting for bureaucracy, with no regard for you or me", een zin uit de track 'Beneath the Surface', is mij dan ook uit het hart gegrepen en doet kond van een blijkbaar universele frustratie. Het beeld dat de gewone burgers slechts de stukken en dan met name de pionnen op het schaakbord van de macht zijn, is dan ook een veelgebruikte en rake metafoor in de teksten van Tiles.
De composities op 'Fence the Clear' zijn allen sterk te noemen. Goede melodieën, krachtig en technisch hoogstaand spel waarin het samenspel belangrijker blijkt dan de individuele solo's want die zijn hier op één hand te tellen. Een aantal tracks springt in het oog. Zo is daar 'Cactus Valley'. Een prachtig nummer met een intro waarbij je je in de zinderende hitte van de vallei waant. De meer hard rock georiënteerde en gezongen passages in dit nummer worden smaakvol afgewisseld met onverwachte breaks en vreemde instrumentale wendingen. 'The Wading Pool' vormt een indrukwekkend rustpunt op 'Fence the Clear'. De akoestische gitaar van Chris Herin speelt een voorname en subtiele rol en de sterke zang van Rarick roept herinneringen op aan David Byron van Uriah Heep. 'Changing the Guard' begint zeer symfonisch met mandolineklanken en mooie ondersteunende arrangementen van de synthesizers. Het refrein is sterk en kent meerdere lagen. Niet gemakkelijk om te zingen maar Rarick redt zich met verve. Absoluut hoogtepunt is het afsluitende en bijna 15 minuten durende 'Checkerboards'. Tiles leeft zich hier volledig uit en laat alles aan bod komen: hard rock, symfonische passages, complexe ritmes en breaks. En refererend aan een eerdere opmerking over de burgers als pionnen op het schaakbord, sluit men af met de dramatische tekst 'We don't know we're losing. Euphoric we're choosing, falling of the checkerboard'. Geen optimistisch perspectief voor de mens. Laat mij in die prognose dan maar en desnoods een simpel pionnetje blijven.
Na aanvankelijke twijfel gezien de Rush-associatie, heeft Tiles mij na verloop van tijd weten te overtuigen. Men bezit teveel eigenheid om ze te etiketteren als de zoveelste Rush-imitatie. Het zijn met name de diepgang in de teksten en de complexiteit van de composities die Tiles op basis van 'Fence the Clear' voorlopig een eigen plaats geven in de progressieve rock. De definitieve positionering zal ik op een later moment geven na beluistering van hun nieuwste werk. Tot dan vermaak ik mij zeer met dit in een prachtige hoes gestoken album.
JoJo (1-2004)
Bezetting:
Mark Evans - drums, percussion
Chris Herin - electric and acoustic guitars, mandolin, keyboards
Paul Rarick - lead and backing vocals
Jeff Whittle - bass guitar
Discografie:
Tiles (1994)
Fence the Clear (1997)
Presents of Mind (1999)
Presence in Europe (1999)
Board Tape-Live Bootleg Collection (2000)
Reviews T
Tool – 10.000 Days (2006)
Label: Sony
Bandsite: www.toolband.com
Duur: 75:52
Recensent: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Als ProgLog AFTERglow ervoor zou kiezen om reviews een titel mee te geven, dan zou de titel boven deze recensie van ‘10.000 Days’ van Tool zijn geweest ‘Lamlendig’. Een woord met verschillende betekenissen. “Zwak, slap in de lenden”, zegt ons aller woordenboek. Het grote boek geeft ook als inhoud “futloos, lui”. En dat dekt de lading. Een futloos en slaapverwekkend album dat zich vijfenzeventig minuten lang voortsleept en slechts een paar wakkere momenten kent. En dat mag toch curieus genoemd worden voor een band in het idioom van de progmetal. Een particulier criterium bij de beoordeling van albums is of ik mij nog tracks kan herinneren en of ik de gedachte heb “ik ga nu nummer zes opzetten want dat stuk vind ik geweldig”. Op geen enkel moment, na een integrale draaibeurt of negen, heeft deze vrolijke en inspirerende gedachte zich voorgedaan.
Het album vertrekt met ‘Vicarious’ en ‘Jambi’. Al direct twee dieptepunten, waarbij ik het geweldige ‘Lateralus’ uit 2001 als referentiemoment neem. Wat een eendimensionale, simpele en Tool onwaardige composities die bovendien qua basisritme, gelegd door drums en bas, wel erg op elkaar lijken. Het geeuwen kan beginnen. De slaap ligt op de loer bij de twee volgende stukken ‘Wings for Marie (Part 1)’ en ’10.000 Days (Wings Part 2)’ die per saldo een integraal nummer vormen. In ‘Part 1’moet ik mij eerst een minuut of zes door een zich nauwelijks ontwikkelend en door tokkelende gitaar en zweefstem gedomineerd psychedelisch thema heen worstelen. Waarbij opvalt, en dat is niet alleen hier zo, dat de zang van Maynard James Keenan in een significant aantal passages slecht te verstaan valt. ‘Part 2’ zet vervolgens nog eens ruim vijf minuten de saaie traditie van het eerste deel voort. Je zou het ook positief kunnen bekijken en stellen dat de ondraaglijke lamlendigheid goed de 10.000 dagen verlamming van de moeder van Keenan weergeeft. Het woordenboek geeft immers ook als betekenis ‘slap in de lenden’…… Daarna veert het nummer enigszins op maar wordt nergens spannend en onverwacht, al is de gitaarsolo van Adam Jones erg goed. De aanslag, het geluid en de vibrato doen mij denken aan Steve Wilson van Porcupine Tree. ‘The Pot’ is een niet bijster bijzonder hardrock nummer met een gemakkelijke riff.
Volledig uit de lucht vallend en niet te plaatsen exotisch gezang in ‘Lipan Conjuring’ vormt de overgang naar het ook al weinig spannende - het album zakt nu echt in - ‘Lost Keys (Blame Hofmann)’. Hier moet wel een pluim worden gegeven aan het mooie en langdurige ‘sustain’ dat gitarist Jones fabriceert. ‘Rosetta Stoned’- leuke titel - is het tweede lange nummer. Een matige compositie, slechts in flarden te verstaan, die enigszins overeind blijft door de effecten die de gitaar veroorzaakt en door een aantal onverwachte breaks en wendingen. Hier dus iets meer spanning. ‘Intension’ is ook al zo’n onbeduidend stuk waarbij het thema mij erg doet denken aan een thema van The Cure op ‘Seventeen Seconds’. ‘Right in Two’ is een hardrock niemendalletje. Het album sluit af met een geluidseffect getiteld ‘Viginti Tres’.
En dan de hoes. Die is natuurlijk uniek, opvallend en begerenswaardig met die stereoscopische bril waarmee de hoesplaatjes kunnen worden bekeken. Zo’n hoes willen mensen zelfs hebben als zij Tool niet eens kennen. Ik moet eerlijk zeggen dat ik de afbeeldingen mooier vind zonder gebruik van de bril dan met. Toen men nog dacht dat de maan onbereikbaar was en de gletsjers onsmeltbaar, zal steroscopie een visueel wonder zijn geweest. In het huidige tijdsgewricht is dat toch nauwelijks meer een sensatie te noemen. Hoogstens in de ondoordringbare oerwouden van Borneo zou de bril nog verwondering wekken. Maar, ik geef toe, in commercieel opzicht een ‘eye-catcher’. In ieder geval is de muziek op ’10.000 Days’ niet sensationeel maar matig. Daar heb ik geen bril voor nodig.
JoJo (05-2006)
Bezetting:
Maynard James Keenan - zang
Adam Jones - gitaar
Justin Chancellor - bas
Danny Carey - drums
Discografie:
Opiate (1992)
Undertow (1993)
Ænima (1996)
Lateralus (2001)
10.000 Days (2006)
Reviews S
Saga - Trust (2006)
Label: Inside Out Music
Bandsite: www.saga-world.com
Duur: 49:24
Reviewer: JoJo
Waardering: @ @ (uit max. 5 JoJo's)
“Voegt een nieuwe cd van Saga iets toe aan hun omvangrijke discografie?" Deze vraag kan evengoed gesteld worden bij het publiceren van een review hierover. Het juiste antwoord is dat beiden feitelijk overbodig zijn. En dat constateerde ik ook al bij hun vorige release ‘Chapters Live’. Dus ik hou het kort.
Maar wat betekent die conclusie? Dat we de band adviseren ermee op te houden? Want waarom zou je doorgaan met het produceren van materiaal dat niets toevoegt? Al denkt voorman Michael Sadler daar anders over. In het persbericht van Inside Out stelt hij “The biggest challenge we face now at this point in our career is to preserve our original style as much as possible and also try to integrate as many fresh ideas into Saga’s sound as we can”. Het is Saga inderdaad gelukt om hun karakteristieke stijl te bewaren. En daar ligt dan ook het kritiekpunt. Het is hen op ‘Trust’ namelijk absoluut niet gelukt om ook maar enig fris nieuw idee toe te voegen. De tracks zijn uitwisselbaar met andere albums. De uitvoering is, zoals we gewend zijn van deze Canadezen, van prima kwaliteit maar het klinkt allemaal zo herkenbaar dat het mij gaat vervelen na zestien studioalbums en vele livealbums. Bovendien vind ik het compositorisch niet hoogstaand. Saga is toch de band van niet alleen de bombastische keys en de guitarsolo’s maar ook van de pakkende refreinen, maar de refreinen pakken mij op ‘Trust’ zelden.
Toch gaan de heren maar door. Daar moeten dus andere redenen aan ten grondslag liggen. Een gebrek aan zelfkritiek? Zou kunnen. Enige bedrijfsblindheid kan zo maar op de loer liggen na zovele jaren. De financiële invalshoek wellicht, want de band is nog steeds mateloos populair. Ze verkochten inmiddels miljoenen albums ‘world wide’ en speelden in de dertig jaar van hun bestaan voor totaal 15 miljoen fans! Dus er valt nog geld te halen. Of is het de spelvreugde die hen doet doorgaan? Laten we het daar dan maar op houden. Ze vinden het nog steeds veel te leuk. Maar of ik het nog steeds leuk vind? Nee dus.
JoJo (04-2006)
Bezetting:
Michael Sadler - vocals, keyboards
Jim Crichton - bass, keyboards
Ian Crichton - guitars
Jim Gilmour - keyboards, vocals
Brian Doerner - drums
Discografie:
Saga (1978)
Images At Twilight (1979)
Silent Knight (1980)
Worlds Apart (1982)
In Transit (live) (1982)
Head Or Tales (1983)
Behaviour (1985)
Wildest Dreams (1987)
The Security Of Illusion (1993)
Steel Umbrellas (1994)
Generation 13 (1995)
Pleasure & The Pain (1997)
Detour (live) (1998)
Full Circle (1999)
House Of Cards (2001)
Marathon (2003)
Network (2004)
Chapters Live (2005)
Trust (2006)
Reviews S
Sagrado –
Coletânea I Canções (2003)
Sagrado –
Coletânea II Instrumental (2003)
Label: Sonhosesons
Bandsite: http://www.sonhosesons.com.br/
Duur: 55:45 + 54:02
Recensent: JoJo
Waardering:
@ @ @
@ @ @ @ (uit max. 5 JoJo's)
Sagrado, volledige naam Sagrado Coração Da Terra, is een Braziliaanse symfoband die al een jaar of twintig meedraait onder de bezielende leiding van multi-instrumentalist, componist en arrangeur Marcus Viana. Hoewel de band in Zuid-Amerika behoorlijk populair is en Viana een zeer bezig baasje is met een lang curriculum vitae dat zich uitstrekt van musical tot muziek bij films en documentaires, heeft de band op het Europese continent niet of nauwelijks voet aan de grond gekregen. En dit terwijl er toch zes studioalbums zijn vervaardigd en de muziek zeer de moeite waard is. Object van deze review zijn de twee in 2003 verschenen verzamelalbums met een bloemlezing (‘coletânea’) uit alle studiowerken. Deel I richt zich op de vocale werken; ‘Canções’ betekent in het Portugees zoiets als ‘liedjes’. Deel II geeft een overzicht van de instrumentale kant van Sagrado. Iemand deed mij ooit een klacht toekomen over de niet al te beste productie van de studioalbums. Daar is op deze verzamelaars geen sprake meer van. Alle tracks zijn in 2002 in de studio opnieuw door de molen gegaan, met als resultaat een prima sound.
Het voert te ver om de in totaal vijfentwintig tracks te gaan bespreken. Ik beperk mij tot een sfeertekening per verzamelaar waarbij een enkele track zal worden uitgelicht. Het vocale deel I, zang van Viana zelf en een aantal zangeressen, roept bij mij associaties op met (de latere) PFM en Renaissance. Het veelvuldig en virtuoos gebruik van de elektrische viool refereert aan Jerry Goodman. Viana weet mooie, soms melancholische en symfonische melodielijnen neer te zetten zoals in ‘Libertas’, ‘Farol Da Liberdade’ en ‘Pantanal/Raio E Trovão’. In enkele gevallen vind ik de melodielijnen echter té mooi en té ‘middle of the road‘ zoals in ‘Sob en Sol II’ (nooit eerder uitgebracht), ‘Ovniana’, ‘Manhã Dos 33’ en ‘Carinhos Quentes’. De muziek dreigt dan te glad te worden - hoewel er zelfs in die tracks altijd wel van een typisch symforock fragment te genieten valt - en er ligt een wat ik altijd maar noem ‘hoog Eurovisie Songfestival gehalte’ op de loer. Gelukkig onthoudt men zich van Latijns-Amerikaanse ritmes want daar krijg ik spontaan uitslag van. Veel te vrolijk voor een West-Europeaan. Hoewel deze mindere tracks niet overheersen kleuren zij uiteindelijk voor mij de waardering van deel 1 wel.
De instrumentale bloemlezing ‘Coletânea II’ vind ik beduidend beter scoren dan deel I. Sagrado laat hier enerzijds klassieke getinte en complex gearrangeerde symfo horen à la The Enid. Maar ook Steve Hackett doemt zo her en der in mij op. Anderzijds is er sprake van min of meer rustgevende tracks in het idioom waarin bijvoorbeeld Gandalf zich beweegt. Absolute uitschieters vind ik het wervelende ‘Deus Dançarino’, het met prachtig (kerk)orgel getooide ‘Toccatta’, het razende ‘Human Beans’ waarin een waar gevecht tussen viool en gitaar wordt uitgevochten en het tien minuten durende ‘País Dos Sonhos Verdes’ afkomstig van het album ‘Grande Espirito’. In dit epos komen alle emoties voorbij, is de orchestratie warm en is de structuur klassiek. Denken aan ‘Het Land waar de Dromen Groen zijn’ is de enige mogelijkheid. Welbeschouwd staan er geen zwakke tracks op dit deel van de compilatie. Het is zowel compositorisch als muzikaal-technisch genieten.
Gezien de relatieve onbekendheid van Sagrado in combinatie met de redelijk tot goede (deel I) tot uitstekende (deel II) kwaliteit van het gebodene, lijkt mij meer erkenning voor de band terecht. Deze bloemlezing vormt dan ook een interessante kennismaking met Sagrado en geeft een goed overzicht van de sterke maar ook van de minder sterke kanten van deze Brazilianen.
JoJo (06-2006)
Bezetting:
o.a.
Marcus Viana – acoustic and electric violin, piano, violoncello, drums, percussionen
Lincoln Cheb – drums
Ane Karenina Marques – vocals
Auguste Rennó – violin, electric and acoustic guitar
Giacomo Lombardi – synthesizer
Alexandre Lopes – electric and acoustic guitar
Fernando Campos – synthesizer, guitars
Gilberto Diniz – fretless bass
Discografie:
Sagrado (1985)
Flecha (1987)
Farol da Liberdade (1991)
Grande Espirito (1994)
A Leste Do Sol, Oeste Da Lua (2000)
Sacred Heart of Heart (2001)
Coletänea I Canções (2003)
Coletänea II Instrumental (2003)